Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 9 mei 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:1476
Feiten
Op 18 november 2010 is werknemer een arbeidsongeval overkomen. Het ongeval vond plaats in het bedrijf van X, waar werknemer via BCU werkzaam was. Werknemer was veiligheidsnetten aan het verwijderen aan het dak waren aangebracht in het ketelhuis. Op enig moment bleef een van de netten haken, waardoor het net niet meer vanaf de grond kon worden verwijderd. Werknemer heeft toen een ladder van X gepakt en tegen een leuning van het bordes gezet. Werknemer is op de ladder geklommen met het voornemen die ladder met een touw vast te maken aan de leuning. Nog voordat hij daaraan toekwam, gleed de ladder echter weg en is hij ten val gekomen. Door de val heeft werknemer een gecompliceerde breuk aan zijn linker bovenbeen opgelopen. Uiteindelijk is zijn been geamputeerd. Werknemer is door het ongeval blijvend invalide geraakt en volledig arbeidsongeschikt geworden. De Inspectie SZW heeft onderzoek verricht en geconcludeerd dat sprake was van een overtreding in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Op 26 mei 2016 heeft de gemachtigde van werknemer op verzoek van Allianz een schadeberekening toegezonden. De schade werd op dat moment begroot op € 180.000. Hoewel Allianz steeds heeft vastgehouden aan haar standpunt dat niet háár verzekerde, BCU, maar X aansprakelijk is, zijn werknemer en Allianz het eens geworden over een renteloze lening ten bedrage van € 125.000, die zal worden afgelost met de door X aan werknemer te betalen schadevergoeding. Tussen Allianz en werknemer is een vaststellingsovereenkomst, tevens overeenkomst van geldlening gesloten. Werknemer heeft X gedagvaard en vordert een verklaring voor recht dat X aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade. X heeft BSU in vrijwaring gedagvaard. De kantonrechter heeft in de hoofdzaak voor recht verklaard dat X aansprakelijk is voor de door werknemer geleden en nog te lijden schade. In de vrijwaringszaak heeft de kantonrechter BCU veroordeeld om aan X en Zürich 70% te betalen van al datgene waartoe zij als gedaagden in de hoofdzaak ten behoeve van werknemer mochten worden veroordeeld, inclusief de proceskosten. Partijen zijn in hoger beroep gekomen.
Oordeel
X stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de kant van Allianz/BCU/werknemer geen sprake is van misbruik van (proces)recht. Er was (destijds) geen sprake van cessie van de vordering van werknemer aan Allianz. Verder is volgens X de door Allianz gekozen constructie (de vaststellings-/geldleningsovereenkomst) dubieus, laakbaar, onaanvaardbaar en een schijnhandeling. Dat moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van werknemer in zijn vordering, althans afwijzing van die vordering, in de hoofdzaak. X heeft geen consequenties verbonden aan haar stelling dat geen sprake is van cessie, anders dan dat sprake is van misbruik van (proces)recht, en evenmin is een grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat feitelijk aan de voorwaarde van artikel 7:954 lid 6 BW is voldaan, zodat Allianz op grond van de cessie Zürich rechtstreeks kan aanspreken. Het hof wenst een nadere toelichting van alle partijen op de grieven en de antwoorden daarop. Het hof zal daartoe een mondelinge behandeling gelasten en formuleert de vragen die tijdens de mondelinge behandeling aan de orde komen.