Rechtspraak
Feiten
Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden. Ter zitting heeft werkgever te kennen gegeven aan dit verzoek enkel nog ten grondslag te leggen dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW en wel zodanig dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing op een redelijke termijn is volgens hem niet mogelijk. Werknemer heeft ter zitting erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat van werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook ziet hij geen mogelijkheden tot herplaatsing. Voor het geval dat het verzoek om ontbinding van werkgever zou worden toegewezen, verzoekt werknemer om toekenning van een beëindigingsvergoeding. Werkgever heeft zich daartegen niet verzet.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter is er in dit geval een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, zodanig dat van werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is verder van oordeel dat herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. De kantonrechter concludeert dat zij het verzoek van werkgever zal toewijzen en de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal ontbinden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 juni 2023. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (artikel 7:671b lid 8 BW). Partijen zijn het erover eens geworden dat, bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per genoemde datum, werkgever uiterlijk op 1 juli 2023 een beëindigingsvergoeding van € 16.636,72 bruto aan werknemer betaalt.