Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 10 mei 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:3343
Feiten
Werknemer is op 7 januari 2019 bij werkgever in dienst getreden. Werkgever heeft niet altijd op tijd en in één bedrag het salaris van werknemer uitbetaald vanwege debiteuren van werkgever die niet betalen. Op 3 december 2022 heeft werknemer, nadat werkgever aangaf dat dit opnieuw aan de orde zou zijn, werkgever bericht “Ontslag mij omdat kan niet meer [sic]”. Werkgever heeft hierop geantwoord “Das goed [werknemer], maandag gelijk regelen dan”. Bij brief van 5 december 2022 heeft werkgever het ontslag van werknemer per brief bevestigd. Op 15 december 2022 heeft werknemer laten weten dat hij zich niet in de brief van 5 december 2022 kon vinden en tevens kenbaar gemaakt dat hij beschikbaar was om te werken. In geding is of de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De werkgever heeft het bericht van werknemer beschouwd als een opzegging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang. Werknemer betwist dat hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Met hem is de kantonrechter van oordeel dat werkgever uit vermeld WhatsAppbericht niet kon concluderen dat werknemer zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, ook niet wanneer daarbij eerder geuite dreigingen met ontslagname door werknemer in aanmerking zouden worden genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het bericht “Ontslag mij omdat kan niet meer” bepaald niet worden opgevat als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring waaruit blijkt dat werknemer de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wilde opzeggen. In het geval echter dat werkgever dit bericht wel als zodanig heeft opgevat, dan had hij zich ervan moeten vergewissen dat werknemer de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband overzag en begreep. Dit heeft werkgever nagelaten. Het bovenstaande leidt tot de vaststelling dat geen einde is gekomen aan het dienstverband.