Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 15 mei 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:4871
Feiten
Werknemer is op 1 augustus 2022 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Eigen Grond B.V. (hierna: EG) in de functie van telefonisch verkoper. Op 29 november 2022 heeft EG aan werknemer kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen met wederzijds goedvinden. Werknemer is niet akkoord gegaan met de aangeboden vaststellingsovereenkomst. Op 12 december 2022 heeft werknemer zich ziek gemeld. De arbo-arts heeft geschreven dat de klachten op problemen in de onderlinge arbeidsverhoudingen berusten. Geadviseerd is een time-out en mediation. Bij e-mail van 9 januari 2023 heeft EG aan werknemer geschreven dat het loon wordt opgeschort wegens werkweigering. Op 19 januari 2023 heeft werknemer een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd, met de vraag of hij zijn eigen werk weer volledig kan doen. Op 9 februari 2023 heeft EG aan werknemer geschreven dat hij ongeoorloofd absent is en geen recht heeft op salaris. In het deskundigenoordeel van 27 februari 2023 staat dat het UWV van oordeel is dat werknemer op 9 januari 2023 zijn eigen werk wel kon doen. Op 9 maart 2023 heeft EG werknemer opgeroepen zijn werk te hervatten. Op 10 maart 2023 heeft EG werknemer op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Werknemer vordert onder meer wedertewerkstelling en achterstallig loon. Volgens werknemer is het loon per 1 januari 2023 onterecht opgeschort. Verder is sprake van een onterecht ontslag op staande voet, omdat een dringende reden ontbreekt.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Uit artikel 7:686a lid 2 BW volgt dat een verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet moet worden ingeleid met een verzoekschrift. Werknemer heeft een dergelijk verzoekschrift niet ingediend. Dat betekent (vooralsnog) dat het ontslag op staande voet vaststaat. Dat werknemer wel van plan is om een dergelijk verzoek in te dienen, doet daaraan niet af, temeer omdat niet valt in te zien waarom werknemer de in dit kort geding ingestelde vorderingen dan niet gewoon heeft gecombineerd met de verzoekschriftprocedure. In feite verzoekt werknemer de voorzieningenrechter om een constitutief vonnis te wijzen, terwijl het gevorderde in kort geding slechts een condemnatoir karakter mag hebben. De vorderingen van werknemer tot wedertewerkstelling en tot betaling van loon, worden daarom afgewezen. Ten aanzien van de loonsanctie oordeelt de voorzieningenrechter dat deze niet rechtsgeldig is. Ten eerste heeft EG niet voldaan aan het onverwijldheidscriterium. Pas op 9 januari 2023 is immers aan werknemer medegedeeld dat zijn loon werd opgeschort terwijl EG het loon reeds sinds 1 januari 2023 niet heeft uitbetaald. Daarmee is sprake van een loonsanctie met terugwerkende kracht, hetgeen niet mogelijk is. Ten tweede blijkt uit de mededelingen van EG aan werknemer onvoldoende duidelijk welke sanctie zij meende op te leggen: een loonopschorting of een loonstop. Van een werkgever mag, zeker waar een voor werknemer zo ingrijpend middel wordt ingezet als een loonsanctie, worden verwacht dat hij zijn woorden zorgvuldig kiest. Tot slot wordt het beroep van EG op geen arbeid, geen loon afgewezen. Niet gesteld of gebleken is dat EG zich heeft ingespannen een werkbare situatie te creëren. Dat het niet verrichten van arbeid door werknemer in redelijkheid voor zijn rekening zou moeten komen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande kan EG dus geen beroep doen op enige grond het loon niet te betalen of op te schorten. Dat betekent dat het loon vanaf 1 januari tot aan het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig niet is uitbetaald. De vordering van werknemer zal in die zin worden toegewezen.