Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 25 april 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:3815
Er is sprake van overgang van onderneming (art. 7:662 BW) zodat eiseres bij gedaagde in dienst is gebleven.

Feiten

Werkneemster is op 1 november 2021 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij onderneming A, een zorgboerderij met inwonende cliënten en verder cliënten met verstandelijke en/of psychische beperkingen. Werkneemster vervult de functie persoonlijke begeleider. Op 12 mei 2022 is tussen een medewerker van onderneming A en onderneming A een koopovereenkomst tot stand gekomen, waardoor de activa, passiva (waaronder grond en opstallen) van onderneming A is overgenomen door de onderneming van de medewerker (hierna: ‘werkgeefster’). Werkneemster is op 31 mei 2022 arbeidsongeschikt geraakt door long-COVID. Per 7 september 2022 is werkgeefster de zorgboerderij onder een nieuwe naam gaan uitoefenen. De inwonende cliënten zijn gebleven. Verder hebben elf van buiten komende cliënten hun dagbesteding voortgezet en zijn de dieren op de boerderij achtergebleven, evenals diverse roerende zaken, waaronder computers, een auto (Renault Traffic), een aanhangwagen, gereedschap, inventaris, een paardentrailer en overige paardenbenodigdheden. Naast werkneemster en de medewerker, waren er nog zes medewerkers in dienst bij onderneming A. Deze zes medewerkers zijn per 7 september 2022 overgenomen door werkgeefster. Werkneemster is in dienst gebleven van Onderneming A, die ook het salaris tot en met oktober 2022 heeft uitbetaald. Hierna heeft werkneemster geen salaris meer ontvangen, nu de verzuimverzekering van onderneming A geen dekking gaf voor het salaris van werkneemster, omdat onderneming A was opgehouden te bestaan. Werkneemster heeft in de maanden september en oktober 2022 bij werkgeefster gewerkt ten behoeve van haar re-integratie. Werkneemster stelt dat per 7 september 2022 een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden, zodat zij per die datum in dienst is getreden bij werkgeefster.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een overgang van onderneming ten gevolge van een overeenkomst. Het begrip “overgang krachtens overeenkomst” dient ruim geïnterpreteerd te worden. Het gaat erom dat een contractuele relatie ertoe leidt dat een ander de zeggenschap en de verantwoordelijkheid krijgt over de exploitatie van een onderneming. Dat is hier aan de orde. Tussen onderneming A en werkgeefster is een overeenkomst tot stand gekomen wat heeft geleid tot de overdracht van de zeggenschap en verantwoordelijkheid over de exploitatie van onderneming A aan werkgeefster. Dat werkgeefster een andere uitleg geeft aan de overeenkomst, te weten dat deze niet de onderneming A met haar activa en de passiva betrof maar slechts ziet op de koop van de aan onderneming A toebehorende onroerende zaak, leidt vooralsnog niet tot een ander oordeel. Partijen hebben door de uitvoering van de koopovereenkomst gevolg gegeven aan hun intentie de voortzetting van de bedrijfsvoering over te dragen aan werkgeefster. Dit blijkt onder meer uit het feit dat medewerkers van onderneming A bij werkgeefster in dienst zijn getreden en de inwonende cliënten van onderneming A nu de zorg en begeleiding krijgen van werkgeefster. De als economische eenheid te kwalificeren activiteiten die door de onderneming werden verricht, worden aansluitend uitgevoerd door werkgeefster. De identiteit van de onderneming is aldus behouden gebleven, zonder dat de bedrijfsvoering tussendoor is stopgezet. Het voorgaande leidt ertoe dat werkneemster op 7 september 2022 van rechtswege in dienst is gekomen bij werkgeefster en dat op werkgeefster een loon(door)betalingsverplichting rust. Werkgeefster zal daarom worden veroordeeld om met ingang van 1 november 2022 het op grond van de arbeidsovereenkomst geldende loon te betalen. De door werkneemster gevorderde wedertewerkstelling is, gelet op het bestaan van de arbeidsovereenkomst met werkgeefster, eveneens toewijsbaar.