Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Meyn Food Processing Technology B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14 maart 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:639
Werkgever heeft er niet op mogen vertrouwen dat werknemer met het aangaan van een vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van zijn vordering uit hoofde van een WIA-excedentverzekering.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 2004 bij Meyn Food Processing Technology B.V. (hierna: Meyn) in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam als Regional Sales Director. Meyn heeft in overleg met werknemer een WIA-excedentverzekering afgesloten, met ingang van 1 januari 2014. De daarvoor maandelijks verschuldigde premie heeft Meyn ingehouden op het salaris van werknemer. Werknemer nam per 1 september 2015 deel aan een commissieregeling. Hij heeft in het kader van die regeling naast het brutosalaris in 2016 een bedrag van € 78.983,50 bruto aan commissie ontvangen, in 2017 een bedrag van € 74.647 bruto en in 2018 een bedrag van € 74.144 bruto. Werknemer heeft in augustus 2018 een hersenbloeding gehad en is nadien blijvend en volledig arbeidsongeschikt geraakt. De advocaten van partijen hebben in augustus 2020 gecorrespondeerd over de vraag of de commissie die aan werknemer is betaald, deel uitmaakte van het verzekerde loonbedrag van de WIA-excedentverzekering. Ook hebben partijen vanaf augustus 2020 gecorrespondeerd over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Op 14 september 2020 hebben partijen de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst beëindigd per 1 februari 2021, onder toekenning van een beëindigingsvergoeding van € 95.573,80 bruto. In de vaststellingsovereenkomst is geen afspraak opgenomen over de WIA-excedentverzekering. Partijen hebben elkaar in de vaststellingsovereenkomst over en weer finale kwijting verleend. Tussen partijen is in geschil of werkgever erop heeft mogen vertrouwen dat werknemer met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van zijn aanspraken uit hoofde van de WIA-excedentverzekering. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst en de daarin opgenomen finalekwijtingsclausule zo moet worden uitgelegd dat deze overeenkomst in de weg staat aan vorderingen met betrekking tot schadevergoding in verband met de WIA-excedentverzekering. De vordering van werknemer is aldus afgewezen. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld en keert zich onder meer tegen voornoemde overweging van de kantonrechter. Werknemer stelt niet de bedoeling te hebben gehad om door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst ook de vordering tot vergoeding van de schade inzake de WIA-excedentverzekering prijs te geven.

Oordeel

Het hof overweegt als volgt. Volgens werknemer heeft Meyn hem schade berokkend door niet te willen erkennen dat de commissie onderdeel uitmaakt van het verzekerde loon uit hoofde van de WIA-excedentverzekering. Toen Meyn niet bereid bleek ter zake een minnelijke regeling te treffen heeft werknemer Meyn laten weten over de WIA-excedentverzekering een procedure te zullen starten. Op 24 augustus 2020 heeft de advocaat van Meyn in dat kader voorgesteld tussen 10 en 25 september 2020 een bespreking over de WIA-excedentverzekering te agenderen. Slechts een dag later, op 25 augustus 2020, heeft Meyn een conceptvaststellingsovereenkomst aan werknemer gestuurd met het oog op beëindiging van het dienstverband wegens twee jaar ziekte. In de conceptvaststellingsovereenkomst is slechts de wettelijke transitievergoeding aan werknemer voorgesteld. Vervolgens hebben de HR-directeur van Meyn en de voormalig advocaat van werknemer op ondergeschikte punten onderhandeld over de conceptvaststellingsovereenkomst. Lopende dit onderhandelingstraject heeft de advocaat van Meyn op 11 september 2020 om 14.08 uur bij de voormalig advocaat van werknemer geïnformeerd naar diens beschikbaarheid tot en met eind september 2020, waarop de voormalige advocaat van werknemer op 14.14 uur heeft laten weten dat zijn cliënt geen heil zag in een bespreking en op korte termijn een procedure zou starten. Slechts zes minuten later, om 14.20 uur, is de aangepaste vaststellingsovereenkomst naar de voormalig advocaat van werknemer gestuurd, die op 14 september 2020 door beide partijen is ondertekend. Gelet op (i) voormelde gang van zaken, waarbij min of meer gelijktijdig langs twee sporen over twee verschillende onderwerpen werd gesproken, te weten enerzijds de vaststellingsovereenkomst en anderzijds de WIA-excedentverzekering, (ii) het feit dat de WIA-excedentverzekering werd behandeld door de advocaat van Meyn, en de vaststellingsovereenkomst door de HR-directeur van Meyn en (iii) het gegeven dat het in het licht van het minimale wettelijke compensatieniveau van de vaststellingsovereenkomst niet aannemelijk is dat werknemer zijn aanspraken uit hoofde van de WIA-excedentverzekering heeft willen prijsgeven, oordeelt het hof dat Meyn er niet op heeft mogen vertrouwen dat werknemer met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van zijn vordering uit hoofde van de WIA-excedentverzekering. Partijen worden in de gelegenheid gesteld hun standpunten met betrekking tot de WIA-excedentverzekering te bepleiten tijdens een nader te bepalen mondelinge behandeling. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.