Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/WB Produktie B.V.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 20 juni 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:2018
Functiewaardering op grond van de cao Glastuinbouw. De functie van ‘meewerkend voorman’ in de zin van de cao moet worden geclassificeerd, waarbij de kantonrechter volgens werkneemster ten onrechte een aantal functies buiten beschouwing heeft gelaten.

Feiten

Werkgeefster (hierna: WB Produktie) exploiteert een tuinbouwbedrijf gericht op de teelt van groenten onder glas en meer in het bijzonder is zij gespecialiseerd in de teelt en verwerking van (snack)tomaten. WB Produktie maakt deel uit van het Westburg BV-concern. Werkneemster is sinds 2006 werkzaam geweest bij WB Produktie, eerst in een uitzend- en payrollconstructie en vanaf 4 januari 2010 in een vast dienstverband. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Glastuinbouw van toepassing. Werkneemster is per 1 januari 2022 uit dienst gegaan. De arbeidsovereenkomst is met op 25 augustus 2021 verleende toestemming van het UWV opgezegd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. In eerste aanleg heeft werkneemster zich op het standpunt gesteld dat zij als bedrijfsleidster werkzaam is geweest en dat zij op basis van de door haar verrichte werkzaamheden had moeten worden beloond volgens salarisschaal M, terwijl zij feitelijk is beloond volgens salarisschaal G van de toepasselijke cao. Volgens de cao heeft zij ook aanspraak op een jubileumuitkering bij een 12,5-jarig dienstverband. Deze uitkering, ¼ maandloon, is haar nooit betaald. Verder heeft zij, anders dan in de jaren 2015 tot en met 2018, in 2019 geen bonus ontvangen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, met uitzondering van de vordering tot betaling van de jubileumuitkering en het gevorderde met betrekking tot de proceskosten, waarin WB Produktie is veroordeeld. In hoger beroep concludeert werkneemster tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, voor zover afgewezen door de kantonrechter. Zij voert twee grieven aan die betrekking hebben op het oordeel van de kantonrechter dat de functie van werkneemster als ‘meewerkend voorman’ in de zin van de cao moet worden geclassificeerd, waarbij de kantonrechter volgens haar ten onrechte een aantal functies buiten beschouwing heeft gelaten.

Oordeel

Het hof is van oordeel dat uit de arbeidsovereenkomst van 4 januari 2010 niet valt af te leiden wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan met betrekking tot de functieclassificatie die in de toepasselijke cao is opgenomen. Bij onduidelijkheid over, of het ontbreken van, een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst moet hetgeen rechtens tussen partijen heeft te gelden door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen. Nu verder niets is gebleken met betrekking tot de inhoud van een gesprek of van gesprekken met betrekking tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst, heeft de kantonrechter volgens het hof op goede gronden geoordeeld dat aan de hand van de feitelijk vervulde werkzaamheden beoordeeld moet worden welke functiecategorie passend was bij de door werkneemster verrichte arbeid. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waaronder ook de benaming die WB Produktie aan de functie van werkneemster heeft gegeven. Die benaming is echter niet beslissend. Volgens artikel 33 van de cao wordt de functie van een werknemer immers ingedeeld in een functiegroep volgens het Functiehandboek Glastuinbouw. De omschrijvingen in dat handboek zijn daarom in beginsel bepalend voor de bij de salariëring te hanteren functiecategorie. Ten aanzien van het feitelijk door werkneemster uitgevoerde werk verwijst zij naar de functieomschrijving voor een ‘bedrijfsleider kas’, die volgens haar door WB Produktie voor haar is opgesteld. Daaruit volgt volgens het hof echter niet dat werkneemster de functie van ‘productieleider/bedrijfsleider’ vervulde. Ten aanzien van de grief dat de kantonrechter ten onrechte een aantal andere functies niet bij zijn oordeel heeft betrokken oordeelt het hof dat werkneemster niet voldoende heeft gesteld voor de conclusie dat zij structureel werkzaamheden heeft verricht die geheel, of ten minste in relevante mate, vallen onder een andere functieomschrijving dan die van meewerkend voorman. De verwijzing naar de door WB Produktie opgestelde functieomschrijving is daarvoor niet voldoende. Welke werkzaamheden werkneemster nu precies feitelijk verrichtte, heeft zij niet gesteld. Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.