Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 6 juni 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:3602
Feiten
Werkgeefster is een medisch behandelcentrum met verschillende specialismen, gevestigd op vier locaties. Er werken 60 medisch specialisten en 100 ondersteunende medewerkers, onder wie 20 doktersassistenten. Werkneemster is sinds 1 maart 2000 in dienst van (een rechtsvoorganger van) werkgeefster en vanaf 1 september 2007 werkzaam als doktersassistente en consulente bij de afdeling plastische chirurgie. Voor en na het overlijden van haar moeder - begin 2018 - is werkneemster veel afwezig geweest. In mei 2019 is werkneemster overgeplaatst naar de polikliniek interne geneeskunde, welke overplaatsing door werkneemster tevergeefs bij kort geding is aangevochten. Vanaf ongeveer juni 2019 tot maart 2020 heeft werkneemster een verbetertraject gevolgd. Ook heeft zij coaching gekregen. Er ontstaan wederom problemen waardoor werkneemster in december 2020 is overgeplaatst naar de polikliniek oogheelkunde. Rond deze overplaatsing is weer een verbetertraject gestart. Na een aanvankelijke verbetering is er in maart 2023 wederom aanleiding voor een gesprek met medewerkster, waarbij zij op non-actief is gesteld en waarna werkgeefster op 11 mei 20023 een ontbindingsverzoek heeft ingediend. Werkneemster vordert wedertewerkstelling, een rehabilitatiebericht en vergoeding van juridische kosten.
Oordeel
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt uit de stukken het beeld naar voren dat werkneemster iemand is met twee gezichten. Enerzijds zijn zowel diverse oogartsen als (sommige) directe collega’s positief over haar, met name waar het de inhoud van het werk en de omgang met patiënten betreft. Anderzijds roept zij in ieder geval sinds 2018 regelmatig grote weerstand op bij directe collega’s - al zijn sommige doktersassistenten wisselend in hun verklaringen - en komen ook al jaren telkens dezelfde kritiek/verbeterpunten terug. Die kritiek/verbeterpunten draaien erom dat werkneemster erg veel aandacht van collega’s en leidinggevenden vraagt, veel met privézaken bezig is op het werk, steeds dezelfde dingen vraagt en vaak (wellicht onbedoeld) chaos en verwarring creëert op het werk door haar manier van doen. Sinds 2018 is werkneemster twee keer overgeplaatst naar een andere afdeling binnen werkgeefster. In die jaren heeft zij externe, door werkgeefster betaalde coaching gekregen, heeft er een lang (juli 2018 - maart 2019) mediationtraject plaatsgevonden (niet gevolgd door een oplossing, maar door een kort geding in 2019), zijn er twee intensieve verbetertrajecten geweest en hebben er daarnaast nog vele gesprekken en mailwisselingen tussen partijen plaatsgevonden. Werkgeefster heeft in het belang van de organisatie een ontbindingsverzoek ingediend (a) vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (b) omdat een nieuwe overplaatsing binnen de relatief kleine organisatie niet meer mogelijk is en (c) vanwege onrust op de werkvloer. Werkgeefster heeft de vrijheid om het belang van de organisatie te laten prevaleren. Werkgeefster heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de huidige afwezigheid van werkneemster in de organisatie rust heeft gebracht en dat er flinke weerstand is tegen haar terugkeer. Gelet hierop en op de kansen die werkgeefster de afgelopen jaren aan werkneemster heeft geboden en de tijd en het geld die zij in haar heeft geïnvesteerd, kan werkgeefster niet van slecht werkgeverschap worden beticht als zij nu aanstuurt op afscheid van werkneemster en haar niet toelaat op de werkvloer in afwachting van de uitkomst van de ontbindingsprocedure. De vorderingen van werkneemster worden afgewezen.