Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 4 juli 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:2142
Feiten
Werkneemster is op 12 oktober 2015 in dienst getreden van de rechtsvoorgangster van Essent N.V. en was werkzaam als senior legal counsel, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen een loon van € 6.710,40 bruto per maand exclusief emolumenten. De arbeidsovereenkomst is inmiddels geëindigd. Werkneemster heeft tijdens haar dienstverband gebruikgemaakt van een leaseauto. In de tussen partijen gesloten berijdersovereenkomst leaseauto van 17 juli 2018 is overeengekomen dat het leasetarief van € 1.392,95 per maand zou worden gefinancierd door een mobiliteitsvergoeding van Essent van € 858 per maand en een aanvullende eigen bijdrage van werkneemster, een ‘overshoot’ van € 534,95 per maand. Tevens is bepaald dat de overshoot (inclusief btw) wordt terugbetaald via een maandelijkse eigen bijdrage, over een periode van maximaal 48 maanden. Als het leasecontract eerder eindigt dan voorzien en de overshoot dan nog niet volledig is betaald, dient het restant ineens te worden betaald. De leaseauto is op 4 januari 2019 geleverd aan werkneemster. Zij heeft in een e-mail van 15 januari 2019 aan Essent geschreven dat de leaseauto, een Jaguar i-Pace SE, niet voldeed aan de verwachtingen die Jaguar vooraf had gewekt. Werkneemster heeft in de daarop volgende maanden nog met Essent gemaild over de leaseauto en in een e-mail van 23 oktober 2019 geschreven dat zij de leaseauto wilde inleveren. Diezelfde dag heeft zij met haar mobiele telefoon van Essent gebeld naar een recruiter, over een vacature elders. Eind oktober heeft Essent een aanbod voor een oplossing voor de auto gedaan. Werkneemster heeft haar arbeidsovereenkomst op 28 november 2019 opgezegd per 31 januari 2020. Zij heeft de leaseauto op 7 januari 2020 ingeleverd. Essent geeft aan vanwege de voortijdige beëindiging van het leasecontract een bedrag van € 33.710,92 bij eindafrekening te verrekenen. Werkneemster vorderde in eerste aanleg, na wijziging van eis, te verklaren voor recht dat zij geen overshoot is verschuldigd en veroordeling van Essent tot betaling van het restant van het salaris inclusief vakantiebijslag, vakantiedagen, mobiliteitsvergoeding en bonus over 2019. De kantonrechter was van oordeel (a) dat werkneemster de resterende overshoot van € 19.623,24 verschuldigd was, (b) dat zij met betrekking tot de bonus 2019 recht had op een bedrag van € 13.950,75 bruto en (c) dat zij nog een bedrag van € 6.142,38 netto aan Essent verschuldigd was.
Oordeel
Volgens werkneemster hoeft zij geen overshoot voor de resterende leaseperiode te betalen omdat Essent haar een innameregeling heeft aangeboden, onvoorwaardelijk en zonder verplichtingen met betrekking tot een boete of andere kosten. Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld mag Essent daarom geen beroep meer doen op de Concernregeling Lease. Naar het oordeel van het hof slaagt dit betoog. Tussen partijen is niet in geschil dat de leaseauto direct vanaf de levering op 4 januari 2019 niet voldeed aan de verwachtingen die werkneemster had. Essent heeft erkend dat zij in oktober 2019 heeft meegewerkt aan een innameregeling die afweek van de leaseregelingen en geen enkele verplichting inhield tot het betalen van een vergoeding of afkoopsom wegens het openbreken van de lease. Het hof is van oordeel dat dit betekent dat partijen zijn overeengekomen af te wijken van de berijdersovereenkomst en de daarop gebaseerde nadere regelingen. Essent stelt dat in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht dat zij zich aan de innameregeling houdt, nu werkneemster geen openheid van zaken heeft gegeven bij het aangaan hiervan. Werkneemster had in de periode van 23 oktober 2019 tot en met 4 november 2019, toen zij de innameregeling overeenkwam, moeten aangeven dat zij oriënterende gesprekken voerde met een recruiter en eraan dacht om Essent te verlaten. Zij heeft daardoor te kwader trouw gehandeld. Het hof volgt Essent hierin niet. De omstandigheid dat werkneemster al in januari 2019 had geklaagd over de leaseauto en zich pas in oktober 2019 opnieuw meldde, baat Essent ook niet. Essent had werkneemster gevraagd om te bekijken wat de auto in het voorjaar en de zomer van 2019 zou doen en zij kon daarna alsnog de auto inleveren, zoals zij heeft gedaan. Gesteld noch gebleken is dat Essent vervolgens een voorwaarde heeft willen verbinden aan het inleveren van de leaseauto, anders dan dat werkneemster na inlevering een maandelijks mobiliteitsbudget zou ontvangen. Essent is in die zin afgeweken van de berijdersovereenkomst en de Concernregeling Lease, waar haar aldus geen beroep meer op toekomt. Voor zover Essent heeft bedoeld een beroep te doen op dwaling slaagt dat evenmin, nu de onderbouwing daarvan op dezelfde feiten en omstandigheden is gebaseerd. Daarbij komt dat werkneemster terecht naar voren heeft gebracht dat Essent geen beroep heeft gedaan op vernietiging van de innameregeling wegens dwaling (art. 3:49 BW). Het hof wijst de gevorderde verklaring voor recht toe, wat betekent dat werkneemster geen (beëindiging)kosten en/of overshoot verschuldigd is in verband met het inleveren van de leaseauto. Tevens stelt het hof vast dat werkneemster recht heeft op een bonus over 2019 van € 13.950,75 bruto.