Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 juni 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:5828
Werkgeefster heeft naast de partijgetuigen geen aanvullend bewijs in het geding is gebracht. Daarmee heeft zij niet het van haar verlangde bewijs geleverd dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Ook onvoldoende bewijs dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid.

Feiten

De kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of werkgeefster c.s. aansprakelijk is voor de schade die werknemer stelt te hebben geleden, en thans nog lijdt, als gevolg van het door hem gestelde arbeidsongeval op 16 oktober 2020. Werkgeefster c.s. is toegelaten tot het bewijs waaruit blijkt dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzettelijk of bewust roekeloos handelen door werknemer. Werkgeefster c.s. heeft een verklaring ingebracht en getuigen laten horen. Werknemer heeft als tegenbewijs een mutatierapport, een proces-verbaal van bevindingen van de politie ingebracht en getuigen gehoord. Beoordeeld moet worden of werkgeefster c.s. met het door haar bijgebrachte bewijs het van haar verlangde bewijs heeft geleverd. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

Oordeel

Zorgplicht

Drie getuigen hebben – samengevat – verklaard dat voordat begonnen wordt met werken altijd veiligheidsinstructies worden gegeven, er wordt verteld wat er moet worden gedragen. Tegenover die verklaringen staat de verklaring van werknemer dat hij geen instructies had gekregen, dat hij alleen een veiligheidsvest had gekregen en dat het ongeval is gebeurd buiten het gebied dat was afgezet met pionnen. Gelet op deze tegenstrijdige verklaringen en het feit dat werkgeefster c.s. naast de verklaringen van de drie partijgetuigen geen aanvullend bewijs in het geding heeft gebracht, is de kantonrechter van oordeel dat werkgeefster c.s. met het door haar bijgebrachte bewijs niet het van haar verlangde bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht.

Bewuste roekeloosheid

Werkgeefster c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat werknemer zich bewust roekeloos heeft gedragen door willens en wetens en zonder enige gelegitimeerde aanleiding daartoe op de vangrails van de brug te klimmen buiten het beveiligde gebied en vervolgens ten val is gekomen met schade tot gevolg. De kantonrechter oordeelt dat gelet op de verklaringen zijdens de getuigen van werknemer, het mutatierapport en het proces-verbaal van bevindingen in het midden kan blijven dat werknemer heeft verklaard dat hij is aangereden door een motor in plaats van door een scooter, nog daargelaten dat de kantonrechter niet kan uitsluiten dat werknemer vanwege de taalbarrière een scooter en motor door elkaar heeft gehaald. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet vast komen te staan dat de schade van werknemer in belangrijke mate het gevolg is van opzettelijk of bewust roekeloos handelen van werknemer.