Rechtspraak
Feiten
Werknemer werkte vanaf 1 augustus 1998 via een uitzendbureau en aansluitend per 1 juli 2001 in vaste dienst bij Ahrend. In 2004 ontstonden bij werknemer voor het eerst rugklachten en heeft hij zich voor het eerst ziek gemeld wegens rugklachten. Sindsdien heeft hij vaker de bedrijfsarts en de huisarts met rugklachten bezocht. Op 26 april 2005 werd bij werknemer een spondylolysis (een onderbroken wervelboog) en een spondylolisthesis (afgegleden wervel) gezien. Daarna heeft werknemer vele medische behandelingen en consultaties gehad. Naar het oordeel van de bedrijfsarts had werknemer blijvende beperkingen voor zware rugbelasting, waaronder frequent bukken, vaak voorovergebogen staan en zwaar tillen. In 2012 vond een reorganisatie plaats en is werknemer ontslagen. Op 12 februari 2014 heeft werknemer zich vanuit de WW ziekgemeld bij het UWV. Werknemer heeft een IVA-uitkering toegekend gekregen. Door het Bureau Beroepsziekte UWV is op verzoek van werknemer onderzoek gedaan naar de vraag of de klachten van werknemer zijn veroorzaakt door de werkzaamheden bij Ahrend en of sprake is van een arbeidsgerelateerde ziekte waarvoor Ahrend op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. Geoordeeld is dat dit inderdaad het geval is. Bij brief d.d. 18 juni 2017 ontving Ahrend een aansprakelijkstelling, bedoeld om verjaring te stuiten. BBZ FNV heeft Ahrend vervolgens per brief d.d. 20 maart 2018 aansprakelijk gesteld. Namens Ahrend heeft Cordeat een medisch adviesbureau verzocht om een medische beoordeling te doen. Die heeft geconcludeerd dat er medisch gezien geen aanleiding is uit te gaan van arbeidsgerelateerde gezondheidsproblematiek. Cordeat heeft aansprakelijkheid per brief d.d. 22 november 2018 van de hand gewezen. In eerste aanleg heeft werknemer een verklaring voor recht gevorderd dat Ahrend ex artikel 7:658 BW aansprakelijk is. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Ahrend komt in hoger beroep tegen het vonnis.
Oordeel
De blootstelling aan gevaarlijke omstandigheden
Het hof oordeelt dat Ahrend niet althans onvoldoende kenbaar heeft betoogd dat werknemer bij de uitvoering van de vaststaande werkzaamheden niet zou zijn blootgesteld aan gevaarlijke, rugbelastende omstandigheden of dat de gestelde normen niet van toepassing zouden zijn. Zij stelt over de zwaarte van de werkzaamheden dat werknemer weliswaar zwaar werk heeft uitgevoerd in de periode 1998-2002, maar “de werkzaamheden bestonden wel uit assemblagewerk; op zichzelf geen (overdreven) zwaar werk”. Ahrend erkent dan ook dat het werk zwaar was en uit het rapport van Cordaet blijkt dat er een “te hoge fysieke belasting” was en dat deze werkzaamheden als “zeer zwaar” beoordeeld werden. Tussen partijen staat in hoger beroep dan ook vast dat de blootstelling van werknemer aan gevaarlijke omstandigheden voldoende is komen vast te staan.
Verjaring en finale kwijting
Het hof concludeert dat de onderbouwing van Ahrend c.s. van het beroep op verjaring niet tot de conclusie leidt dat de vordering van werknemer is verjaard. Op grond van de aangevoerde feiten en omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat werknemer, voorafgaande aan het advies in opdracht van het Bureau Beroepsziekte UWV, in voldoende mate bekend was met én de oorzaak van zijn rugklachten én het door Ahrend schenden van haar zorgplicht. Evenmin slaagt het beroep van Ahrend c.s. op het finale kwijting beding in de vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst was volgens Ahrend een “standaard (…) vaststellingsovereenkomst die bij de reorganisatie en het ontslag werd gehanteerd”. De overeenkomst zag ook enkel en alleen op beëindiging van het dienstverband. Onderhavige kwestie was voorafgaand of bij ondertekening ook niet bij partijen bekend.
De aangeboren afwijking
Werknemer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn rugklachten kunnen zijn veroorzaakt door de specifieke schending van de zorgplicht, zijnde de door hem geschetste arbeidsomstandigheden. Ahrend c.s. hebben de voldoende onderbouwing van de stelling van werknemer ten aanzien van het causaal verband onvoldoende weerlegd. Zij verwijzen naar de rapportage van hun deskundige, maar het hof acht dit onvoldoende. Allereerst omdat onduidelijk is hoe de deskundige van Ahrend c.s. tot de aanname is gekomen dat de spondylolysis pre-existent is. Ook in hoger beroep is Ahrend c.s. daar niet op ingegaan. Bovendien is niet relevant of de spondylolysis aangeboren is. De gezondheidsschade bestaat uit rugklachten. Deze kunnen eerst ontstaan bij zwaar tillen en vast staat dat dat het werk was van werknemer. Dat de deskundige van werknemer de nodige voorbehouden stelt, is juist, maar daarmee is voldaan aan de eisen, namelijk dat werknemer aannemelijk dient te maken dat de gezondheidsschade of klachten waaraan hij lijdt, kunnen zijn veroorzaakt door de specifieke schending van de zorgplicht, zijnde de door hem geschetste arbeidsomstandigheden.
De zorgplicht
Het is aan Ahrend als werkgeefster te stellen en zo nodig te bewijzen, kort gezegd, dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om de schade te voorkomen. Het hof stelt vast dat Ahrend niet aan de hiervoor vereiste stelplicht heeft voldaan. Uitgaande van de door werknemer gestelde en niet betwiste risicofactoren had het op de weg van Ahrend c.s. gelegen om concreet aan te geven welke maatregelen zij ter voorkoming van de risico’s redelijkerwijs had moeten nemen en daadwerkelijk heeft genomen. Ahrend komt echter niet verder dan het overleggen van een rapport met bijlagen waaruit slechts naar voren komt dat er plannen waren om de te hoge fysieke belasting te bestrijden. Er blijkt echter niet uit dat Ahrend vervolgens aan die plannen concreet uitvoering heeft gegeven, en Ahrend heeft ook anderszins niet concreet toegelicht dat daaraan daadwerkelijk uitvoering is gegeven. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.