Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/Stichting Jeroen Bosch ZIekenhuis
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11 augustus 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:7229
Gezamenlijk verzoek (art. 96 Rv). Beroep op volledige ongewijzigde instandhouding van gemaakte afspraken is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Feiten

Partijen (zeven artsen-microbiologen en Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis (‘JBZ’)) hebben bij brief van 20 februari 2023 een gezamenlijk verzoek ex artikel 96 Rv ingediend. De artsen-microbiologen van (de rechtsvoorganger van) JBZ hebben een geschil met JBZ over de vraag of zij recht hebben op betaling voor hun werkzaamheden met betrekking tot de niet-verzekerde COVID-zorg, zoals die is verricht vanaf 2020. Het geschil draait om de interpretatie van de contractuele afspraken tussen de artsen-microbioloog en JBZ met betrekking tot inkomsten uit niet-verzekerde diagnostiek en patiëntenzorggerelateerde diensten voor derden. De artsen-microbiologen betogen dat zij op basis van hun arbeidsovereenkomsten en de contractuele afspraken in notulen van 2008 (waarin is vastgelegd welke inkomsten onder de niet-verzekerde zorg vallen), die na een fusie met JBZ zijn overgegaan naar een nieuw addendum, recht hebben op 1/3 van het honorariumpercentage voor de niet-verzekerde diagnostiek, inclusief de COVID-zorg. Om het geschil te beslechten hebben partijen de kantonrechter gevraagd twee vragen te beantwoorden: (i) Vallen de werkzaamheden die de artsen-microbiologen vanaf 2020 hebben verricht ter zake van de niet-verzekerde COVID-zorg onder de reikwijdte van de contractuele afspraken tussen partijen inzake inkomsten vanuit niet-verzekerde diagnostiek en patiëntenzorg - gerelateerde diensten voor derden?; (ii)  Hebben de artsen-microbiologen recht op betaling van 1/3 van het honorarium voortvloeiend uit de werkzaamheden van niet-verzekerde diagnostiek die de artsen-microbiologen vanaf 2020 hebben verleend ter zake van de niet-verzekerde COVID-zorg?

Oordeel

Niet-verzekerde COVID-zorg valt onder reikwijdte contractuele afspraken

De kantonrechter is van oordeel dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord. De afspraken over welke inkomsten onder niet-verzekerde zorg vallen en hoe deze worden verdeeld, zijn vastgelegd in notulen uit 2008 en worden sindsdien uitgevoerd door de partijen. Daarnaast is er een addendum bij de arbeidsovereenkomsten waarin afspraken zijn gemaakt over inkomsten uit niet-verzekerde zorg, waarbij de notulen uit 2008 als uitgangspunt werden genomen. Uit de uitleg van deze overeenkomsten volgt dat COVID-diagnostiek hieronder valt, nu COVID als een uitbraak kan worden beschouwd en de werkzaamheden grotendeels ten behoeve van de GGD zijn verricht. Bovendien heeft de voorzitter van de raad van bestuur bevestigd dat niet-verzekerde COVID-zorg onder de afspraken uit 2008 valt, en dit standpunt is later herhaald in een brief van december 2021. Pas in januari 2022 heeft JBZ dit standpunt willen herzien, waaraan geen waarde kan worden gehecht. De niet-verzekerde COVID-diagnostiek valt dus wel degelijk onder de gemaakte afspraken uit 2008 en het addendum.

Geen recht op volledige betaling 1/3 deel van inkomsten ter zake van de niet-verzekerde COVID-zorg

De afspraken over inkomsten ter zake van niet-verzekerde COVID-zorg moet worden gekwalificeerd als een arbeidsvoorwaarde, zodat de kwestie draait om de vraag of JBZ gerechtigd is om eenzijdig wijzigingen aan te brengen in deze arbeidsvoorwaarden. Er is geen eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen, waardoor moet worden beoordeeld of in redelijkelijkheid gevraagd kan worden van de werknemers om het voorstel te aanvaarden. De kantonrechter oordeelt dat het onaanvaardbaar is om de artsen-microbiologen ongewijzigde instandhouding van de afspraken te laten behouden, aangezien dit zou resulteren in aanzienlijke inkomsten voor hen, terwijl andere vrijgevestigde medisch specialisten geen toename van inkomsten hebben gekregen. Bovendien is er geen evenredige toename van werkzaamheden voor de artsen-microbiologen met betrekking tot niet-verzekerde COVID-zorg. De verzochte verklaring voor recht met betrekking tot de tweede vraag wordt afgewezen. Tot slot wordt het beroep op artikel 6:258 BW buiten beschouwing gelaten omdat het buiten de huidige procedure valt.