Rechtspraak
Feiten
Eiser is een uitzendbureau. Eiser en gedaagde hebben op 25 juli 2022 een inleenovereenkomst gesloten met betrekking tot een uitzendkracht. Op grond van deze overeenkomst zou eiser de uitzendkracht met ingang van 15 augustus 2022 aan gedaagde ter beschikking stellen als werkvoorbereider. In de inleenovereenkomst van eiser is opgenomen dat de opdrachtgever aan eiser een vergoeding is verschuldigd indien de opdrachtgever binnen een termijn van een jaar na aanvang van de terbeschikkingstelling een arbeidsverhouding met de uitzendkracht aangaat voor dezelfde of een andere functie. De uitzendkracht heeft vanaf 15 augustus 2022 werkzaamheden voor gedaagde verricht en op 27 augustus 2022 is het dienstverband met eiser beëindigd. De inleenovereenkomst tussen eiser en gedaagde is hiermee ook (feitelijk) beëindigd. Eiser heeft op 7 oktober 2022 een brief aan gedaagde geschreven waarin hij stelt dat gedaagde de uitzendkracht per 27 augustus 2022 rechtstreeks bij hem in dienst heeft laten treden. Eiser heeft op grond van zijn algemene voorwaarden aanspraak op een bedrag van circa € 12.000 exclusief btw. Eiser vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van € 14.649,72. Op grond van de inleenovereenkomst was het niet toegestaan om de uitzendkracht na afloop van de afgesproken urentermijn zonder tussenkomst van eiser voor zich te laten werken. Volgens eiser is dit echter wel het geval geweest. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de algemene voorwaarden van eiser niet van toepassing zijn.
Oordeel
Volgens de kantonrechter kan er in redelijkheid geen onduidelijkheid zijn over de vraag welke algemene voorwaarden van toepassing zijn. Gedaagde heeft erkend dat de uitzendkracht na beëindiging van de terbeschikkingstelling door eiser enige tijd voor hem werkzaam is geweest. De kantonrechter is van oordeel dat de algemene voorwaarden zo moeten worden uitgelegd dat met een "arbeidsverhouding" ook werkzaamheden als zelfstandige worden bedoeld. Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:689) volgt dat uit de tekst van artikel 6 lid 2 van de Uitzendrichtlijn volgt dat het belemmeringsverbod betrekking heeft op het tot stand komen van een “arbeidsverhouding”. Het begrip “arbeidsverhouding” moet worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie EU. Volgens de kantonrechter had het gedaagde redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat eiser met de algemene voorwaarden wilde voorkomen dat de uitzendkracht – in welke vorm dan ook – binnen een jaar na de aanvang van de terbeschikkingstelling buiten hem om bij gedaagde zou gaan werken zonder dat hij van gedaagde een vergoeding zou krijgen voor de werving van de uitzendkracht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat tussen gedaagde en uitzendkracht sprake is geweest van een arbeidsverhouding zoals bedoeld in de algemene voorwaarden. Dit betekent dat gedaagde aan eiser een vergoeding is verschuldigd van € 12.107,21 exclusief buitengerechtelijke incassokosten.