Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 september 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:5216
Partijen twisten over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.

Feiten

Werknemer heeft voor X gewerkt, een hotel, dat onderdeel is van het familiebedrijf Y, dat op zijn beurt weer deel uitmaakt van de groep die Z exploiteert. Naast zijn werkzaamheden voor X verrichtte werknemer ook werkzaamheden via zijn eigen vennootschappen. Zo heeft hij via deze vennootschappen contracten gesloten met A BV voor het onderbrengen van asielzoekers in bedrijf B. Daarover is tussen partijen discussie ontstaan. Die discussie heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst die op 4 augustus 2023 door partijen is ondertekend. Volgens werknemer houdt Z zich niet aan de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst. Met dit kort geding wil hij afdwingen dat Z die verplichtingen wel nakomt. Z heeft op haar beurt ook vorderingen ingesteld. Zo vordert zij opheffing van het beslag dat werknemer op een bankrekening van X heeft gelegd. Daarnaast wil zij dat de door haar opgestelde versie van de overeenkomst ter beëindiging van de arbeidsrelatie tussen werknemer en X tot stand komt. Volgens haar is dat een redelijke overeenkomst en houdt werknemer zich niet aan de vaststellingsovereenkomst door ondertekening daarvan te weigeren.

Oordeel

Partijen twisten over de uitleg van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst. Partijen leggen dit artikel verschillend uit en daarbij gaat het met name om de vraag wie wordt bedoeld met de aan hen gelieerde contractspartijen en in het bijzonder of A daaronder valt. In de vaststellingsovereenkomst zelf is niet uitgelegd wat er met gelieerde contractspartijen wordt bedoeld. Wie van partijen gelijk heeft over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst en van welke bedoelingen partijen mochten uitgaan bij het aangaan daarvan is niet duidelijk geworden. Daarvoor is nader onderzoek nodig en dat kan niet in dit kort geding. Ook twisten partijen over de uitleg van artikel 10 van de vaststellingsovereenkomst inzake het niet zich negatief uitlaten over elkaar. Werknemer stelt dat Z hem probeert zwart te maken binnen de familie. Zo zou aan iedereen binnen het familiebedrijf zijn verteld dat hij heeft betaald voor zijn fraude en dat werknemer met het tekenen van de vaststellingsovereenkomst schuld heeft erkend. Z betwist dat zij zich niet aan artikel 10 houdt en voert aan dat werknemer geen enkel bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij negatieve uitlatingen doet over werknemer. Dat klopt. Werknemer heeft die stelling op geen enkele manier onderbouwd. Over het eerste deel van artikel 10, het doen van mededelingen over de vaststellingsovereenkomst aan derden of het verstrekken van de vaststellingsovereenkomst of bijbehorende documenten aan derden, heeft werknemer zelfs helemaal niets aangevoerd. De vorderingen worden daarom afgewezen. In artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst is - onder meer - bepaald dat Z ervoor zal zorgen dat werknemer en zijn partner hun aan de familie gelieerde mobiele telefoonnummer kunnen houden. Dat is nog niet gebeurd. Tussen partijen is niet in geschil dat de telefoonnummers omgezet moeten worden, maar wel het moment waarop dat moet gebeuren. Volgens werknemer koppelt Z het omzetten van de telefoonnummers ten onrechte aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit de inhoud en de volgorde van de artikelen die betrekking hebben op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en het omzetten van de telefoonnummers (de artikelen 7 en 8), maakt de voorzieningenrechter op dat partijen hebben afgesproken, of althans bedoeld hebben, om eerst een beëindigingsovereenkomst op te stellen en te ondertekenen en daarna pas de telefoonnummers om te zetten. Werknemer heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat Z in strijd handelt met de verplichtingen die zij heeft op grond van (artikel 8 van) de vaststellingsovereenkomst, door te wachten op ondertekening van de beëindigingsovereenkomst. Ook deze vordering wordt dus afgewezen.