Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 29 september 2023
ECLI:NL:RBGEL:2023:5520
Bestuurder heeft door over te gaan tot turboliquidatie terwijl dat niet de aangewezen weg was, bewerkstelligd dat Y haar verplichtingen jegens werknemer niet na kon komen. A kan daarvan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. 

Feiten 

Op 19 oktober 2020 heeft werknemer brandwonden aan beide handen opgelopen. Hij reinigde gevels en werkte die dag met zoutzuur. Op 19 november 2020 heeft werknemer loon over oktober 2020 ontvangen op zijn rekening van X B.V. Op 13 januari 2021 heeft werknemer X aansprakelijk gesteld voor zijn schade. Hij stelde dat hij letsel had opgelopen in de uitoefening van zijn reinigingswerkzaamheden voor deze vennootschap. A, directeur en (indirect) enig aandeelhouder van X, reageerde op 24 januari 2021 en schreef dat zijn bedrijf geen partij is, omdat werknemer niet bij deze bv in dienst was in de periode van het gestelde bedrijfsongeval. Werknemer heeft op 29 april 2021 Y en Z gedagvaard. A is ook van deze vennootschappen bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder. Werknemer vorderde bepaling door de kantonrechter dat de vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade. Een van deze vennootschappen was zijn werkgever, zo stelde hij. De vordering is door de kantonrechter toegewezen, nadat Y en Z weliswaar waren verschenen, maar geen inhoudelijk verweer hebben gevoerd. Op 17 februari 2022 zijn Y en Z opgehouden te bestaan. Werknemer heeft A op 21 december 2022 in privé aansprakelijk gesteld. Werknemer vordert A te veroordelen tot betaling van zijn schade.  

Oordeel 

A heeft betwist dat de turboliquidatie onrechtmatig was. Volgens hem waren er geen goederen of andere vormen van baten in Y, waar werknemer in dienst is geweest, aanwezig op 17 februari 2022 (de datum van uitschrijving uit de KvK). De kantonrechter oordeelt dat turboliquidatie alleen is toegestaan als er geen baten meer in de vennootschap aanwezig zijn. De vennootschappen hadden in ieder geval, zo erkent A, bezittingen. Die bezittingen waren werkmateriaal en een bus. A heeft weliswaar betwist dat die bezittingen nog aanwezig waren ten tijde van de turboliquidatie, omdat deze zouden zijn verkocht aan X, in ruil voor betalingen aan schuldeisers van Y en Z, maar zijn betwisting heeft hij onvoldoende onderbouwd. Als er al van uit moet worden gegaan dat “het bedrijf volledig onder in schuld zat”, zoals A ter zitting heeft verklaard maar evenmin met stukken heeft onderbouwd, dan nog stond het hem niet vrij om bij beëindiging van het bedrijf andere schulden volledig te betalen ten koste van werknemer. A heeft dan ook, door over te gaan tot turboliquidatie terwijl dat niet de aangewezen weg was, bewerkstelligd dat Y haar verplichtingen jegens werknemer niet na kon komen. Het handelen van A, als bestuurder, ten opzichte van werknemer is zo onzorgvuldig dat A daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. A heeft dus een onrechtmatige daad jegens werknemer gepleegd die hem kan worden toegerekend. Hij is verplicht de schade die werknemer dientengevolge heeft geleden te vergoeden.