Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 9 oktober 2023
ECLI:NL:RBOBR:2023:4876
Ontslag statutair bestuurder stichting. Verwijzing naar de handelskamer van de rechtbank.

Feiten

Werknemer is in 2020 in dienst getreden bij werkgeefster, een stichting, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor één jaar die vervolgens stilzwijgend is verlengd. Laatstelijk vervulde werknemer de functie van beheerder/bestuurder en hij is per 15 september 2021 als bestuurder van werkgeefster geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op 28 maart 2023 is werknemer op non-actief gesteld. Op 24 april 2023 heeft de raad van toezicht van werkgeefster werknemer uitgenodigd voor een vergadering op 3 mei 2023 waarin zijn positie geagendeerd stond. Tijdens die vergadering heeft de raad van toezicht werknemer meegedeeld dat hij op staande voet is ontslagen, hetgeen op 4 mei 2023 schriftelijk is bevestigd. Werknemer heeft verzocht werkgeefster te veroordelen tot het doen van diverse betalingen die verband houden met het volgens hem niet rechtsgeldig verleende ontslag op staande voet. Werkgeefster heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen die erop neerkomt dat geschillen tussen een stichting en haar bestuurder(s) niet door de kantonrechter maar door de rechtbank moeten worden beoordeeld.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Op 1 juli 2021 is de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in werking getreden als gevolg waarvan artikel 2:131 BW van overeenkomstige toepassing is op de stichting. Op grond van dat artikel worden geschillen tussen een stichting en haar bestuurder beslecht door de handelskamer van de rechtbank. Ook als de vennootschapsrechtelijke relatie is beëindigd, blijft de rechtbank bevoegd van vorderingen met betrekking tot de arbeidsovereenkomst kennis te nemen. Bepalend is dus of werknemer tot statutair bestuurder is benoemd. Werkgeefster heeft onbetwist aangevoerd dat werknemer tot statutair bestuurder is benoemd, de statuten bepalen dat er een bestuur is dat uit ten minste twee bestuurders bestaat en de stichting vertegenwoordigt en bestuurt (artikel 5, 7 en 8). Werknemer is als statutair bestuurder ingeschreven in het handels- en UBO-register en heeft zich naar buiten toe ook als zodanig gedragen. De betwisting dat werknemer over een arbeidsovereenkomst beschikte en om die reden slechts titulair bestuurder was, is onvoldoende. De kantonrechter overweegt voorts dat als vaststaand moet worden aangenomen dat werknemer als statutair bestuurder is benoemd en is ingeschreven als statutair bestuurder, althans actief heeft meegewerkt aan die inschrijving. Werknemer was dus op de hoogte van zijn benoeming en stemde daar mee in. Gelet op het voorgaande dient de zaak door de kamer voor handelszaken van deze rechtbank te worden behandeld en beslist en wordt de zaak ex artikel 71 lid 1 Rv naar die kamer verwezen.