Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 oktober 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:3343
Feiten
Werknemer is op 1 augustus 2019 bij werkgeefster in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van servicemonteur. Werknemer maakt voor zijn werkzaamheden gebruik van een bedrijfsauto, waarop de naam van werkgeefster staat vermeld. Werkgeefster heeft werknemer naar aanleiding van ontvangen klachten op zijn rijgedrag aangesproken en hem op respectievelijk 21 december 2020 (na het eerste rij-incident) en 15 januari 2021 (na het tweede rij-incident) schriftelijk gewaarschuwd. De tweede waarschuwing van 15 januari 2021 vermeldt naast het rijgedrag ook andere gedragingen van werknemer die werkgeefster hem verwijt (verlof opgenomen dat was opgebouwd door onterecht gedeclareerde overuren, twee gevallen van liegen en handelen in strijd met het (rook)pauzebeleid). In juni 2021 heeft werkgeefster werknemer twee uur rijles aangeboden. Deze heeft werknemer niet gevolgd. Werknemer is sinds 4 oktober 2021 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Werkgeefster heeft een derde klacht betreffende het rijgedrag van werknemer ontvangen op 31 augustus 2022. Op 5 september 2022 heeft werkgeefster een e-mail gestuurd naar werknemer met een samenvatting van hetgeen hem door werkgeefster wordt verweten. Op of omstreeks 6 september 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkgeefster en werknemer en zijn echtgenote. Werknemer is in september op non-actief gesteld. Werkgeefster heeft de kantonrechter verzocht de tussen haar en werknemer bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op de e-grond, subsidiair op de g-grond en meer subsidiair op de i-grond. Bij de beschikking waarvan beroep, heeft de kantonrechter het ontbindingsverzoek van werkgeefster afgewezen. Hier komt werkgeefster in hoger beroep tegen op.
Oordeel
E-grond
Het hof is van oordeel dat werkgeefster ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat werknemer ten aanzien van de overuren, het leugenachtige gedrag en het veroorzaken van de onrust onder collega’s verwijtbaar heeft gehandeld. Werkgeefster heeft naar het oordeel van het hof te snel gehandeld door de op non-actiefstelling van werknemer direct na de klacht van 31 augustus 2022 en het daaropvolgende ontbindingsverzoek van 10 november 2022 in te dienen. Nu de klacht van 31 augustus 2022 voor werknemer onverwacht kwam en hij het hier inhoudelijk niet mee eens was, had het op de weg van werkgeefster gelegen om voldoende rekening te houden met de belangen van werknemer door opnieuw, net als de voorgaande twee keren, inhoudelijk te spreken over zijn rijgedrag en niet direct tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Het hof is dan ook van oordeel, alles overwegende, dat op het moment van de op non-actiefstelling en het meteen ingezette ontslagtraject niet voldaan was aan het vereiste (van de e-grond) dat van werkgeefster in redelijkheid niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
G-grond
Zoals reeds hiervoor door het hof overwogen zijn het ten onrechte opnemen van verlof wegens gemaakte overuren, het leugenachtige gedrag en het veroorzaken van de onrust onder collega’s, wegens gebrek aan voldoende (onderbouwde) stellingen daaromtrent (ook) door het hof niet vastgesteld. Voor wat betreft het rijgedrag en het niet meewerken aan de rijles, is het hof van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is gesteld dat het vertrouwen in werknemer zodanig is geschaad dat van werkgeefster in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor zover de arbeidsverhouding volgens werkgeefster is verstoord, heeft zij dat ook aan zichzelf te wijten door na de klacht van 31 augustus 2022 ten onrechte direct tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te willen overgaan.