Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 18 oktober 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:7415
Feiten
Werkneemster is op 10 maart 2003 bij (de rechtsvoorganger van) Stichting Bravis Ziekenhuis (hierna: Bravis) in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Ziekenhuizen (hierna: de cao) van toepassing. In de cao wordt bepaald dat een functie overeenkomstig het Protocol Functiewaardering Gezondheidszorg in bijlage C van de cao met behulp van het digitale FWG-systeem wordt ingedeeld in een functiegroep en op basis van die indeling wordt ingeschaald in een salarisschaal. Bravis heeft per 1 januari 2016 de indeling en aansturing van de zorgeenheden gewijzigd. De nieuwe structuur bestaat uit twee functies met leidinggevende bevoegdheden (hierna: functie A en functie B). Werkneemster is vervolgens per 1 april 2016 herplaatst in de nieuwe leidinggevende functie B, die is ingeschaald in FWG 55. Functie A is (hoger) ingeschaald in FWG 60. Werkneemster heeft op 12 maart 2020 bezwaar gemaakt tegen de functie-indeling en onder meer gesteld dat zij voldoet aan de functiebeschrijving van functie A. Bravis heeft aan werkneemster medegedeeld dat haar functie alsnog voorlopig is ingedeeld in functiegroep 55. Werkneemster heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarna de Interne Bezwaren Commissie FWG (hierna: de IBC) op 30 juli 2020 heeft geadviseerd om aan het gezichtspunt ‘Inconveniënten’ een hogere score toe te kennen en heeft geconcludeerd dat als gevolg van die wijziging de niveau-indicatie in het FWG-systeem wijzigt van FWG 55 naar FWG 60. Bravis heeft de functie van werkneemster in september 2020 definitief ingedeeld in FWG 55. Werkneemster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij de Landelijke Commissie FWG Herindeling (hierna: de LCFH). De LCFH heeft in haar uitspraak geadviseerd de functie van werkneemster ongewijzigd te laten in functiegroep 55. Werkneemster vordert dat Bravis wordt veroordeeld om (de functie van) werkneemster te plaatsen in functiegroep 60 en aan werkneemster het achterstallig loon te betalen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Functiebeschrijving
In de stelling van werkneemster dat zij bezwaar heeft (gemaakt) tegen ‘de functiebeschrijving’ ligt niet besloten dat zij bezwaar heeft (gemaakt) tegen de inhoud van beschrijving B als zodanig. Zij heeft weliswaar steeds bezwaar gemaakt tegen toepassing van beschrijving B, stellende dat niet beschrijving B maar beschrijving A op haar functie van toepassing is, maar dat bezwaar zag niet op de inhoud van beschrijving B als zodanig, maar op het feit dat Bravis bij het aanbieden van de functiebeschrijving op de waardering en indeling van de functie is vooruitgelopen. Werkneemster stelt terecht dat deze handelwijze van Bravis in strijd is met de voorgeschreven procedure in het Protocol FWG. Met werkneemster is de kantonrechter dan ook van oordeel dat Bravis in zoverre niet de juiste weg heeft bewandeld. Dat neemt niet weg dat de inhoud van beschrijving B op zichzelf wel als functiebeschrijving voldoet en laat voorts onverlet dat werkneemster tegen de herindeling van haar functie bij de IBC en de LCFH bezwaar heeft kunnen maken en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan, wat maakt dat zij in zoverre niet in haar belangen is geschaad.
Geen schending gelijkheidsbeginsel
Het beroep van werkneemster op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. In dit geval doet zich naar het oordeel van de kantonrechter geen situatie voor waarin sprake is van gelijke arbeid in gelijke omstandigheden. Werkneemster kan niet worden gevolgd in haar stelling dat er sprake is van identieke functiebeschrijvingen A en B. Vaststaat dat het hier gaat om verschillende (soorten) afdelingen waaraan leiding wordt gegeven, waarbij er blijkens de functiebeschrijvingen ook verschillen zijn wat betreft de functie-specifieke eisen, gerelateerd aan de functie-eisen die gelden voor de medewerkers aan wie leiding wordt gegeven. Met dit onderscheid is gegeven dat van gelijke arbeid in gelijke omstandigheden geen sprake is.
Waardering gezichtspunten/systeemadvies
De kantonrechter oordeelt voorts dat hetgeen werkneemster naar voren heeft gebracht, geen grond vormt om wat betreft de aan de gezichtspunten toegekende scores tot een ander oordeel dan dat van de LCFH te komen (met als conclusie plaatsing in functiegroep 55). Tot slot komt de kantonrechter tot het oordeel dat werkneemster geen feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat Bravis de functie redelijkerwijs niet in FWG 55 heeft kunnen herindelen. Bravis heeft niet van het systeemadvies (FWG 55 en niet FWG 60) hoeven afwijken.
De conclusie is dat Bravis niet in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap heeft gehandeld door de functie van werkneemster niet in FWG 60 in te delen en de indeling van deze functie in FWG 55 te handhaven. De vorderingen van werkneemster worden afgewezen.