Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 17 oktober 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:5530
Feiten
Werkneemster heeft in de periode van 1 juni 2022 tot en met december 2022 werkzaamheden verricht ten behoeve van de oprichting van werkgeefster, een schoonheidssalon. Mevrouw B, eigenaar van werkgeefster, en werkneemster hebben afgesproken dat werkneemster een operabele onderneming voor mevrouw B zou oprichten en aan mevrouw B zou overdragen, terwijl mevrouw B zorgde voor de financiering daarvan. Uit de notulen van een bespreking van 9 juni 2022 blijkt dat partijen hebben afgesproken dat werkneemster gedurende het eerste kwartaal geen vergoeding zou ontvangen voor haar werkzaamheden en dat na oprichting van de onderneming mevrouw B één filiaal onder haar hoede zou nemen en werkneemster een tweede filiaal. In december 2022 heeft mevrouw B de samenwerking met werkneemster verbroken. De onderneming is nooit van de grond gekomen. Werkneemster heeft geen betaling ontvangen voor haar werkzaamheden. Werkneemster vraagt onmiddellijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen haar en werkgeefster wegens ernstig verwijtbaar handelen.
Oordeel
Over de kwalificatie van hun rechtsverhouding verschillen partijen van mening, zodat de kantonrechter allereerst moet beoordelen of de rechtsverhouding tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Werkneemster heeft ter onderbouwing van haar stelling dat tussen haar en werkgeefster een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en nog steeds zou bestaan een arbeidsovereenkomst overgelegd die alleen door werkneemster is ondertekend en niet door werkgeefster. Werkgeefster betwist dat partijen een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en stelt dat zij slechts een samenwerking zijn aangegaan voor de oprichting van een onderneming. Werkneemster heeft erkend dat aanvankelijk een overeenkomst van opdracht is aangegaan teneinde de onderneming op te richten, maar dat zij per 1 september 2022, zodra de onderneming door haar zou zijn opgericht, op de loonlijst van werkgeefster zou komen te staan. De kantonrechter is van oordeel dat de niet ondertekende arbeidsovereenkomst onvoldoende is om te kunnen concluderen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, omdat (i) die niet door beide partijen is ondertekend en (ii) de inhoud van die arbeidsovereenkomst haaks staat op de stellingen die werkneemster inneemt in deze procedure onder meer waar het gaat om de hoogte van de beloning. Aan de tekst van de door werkneemster overgelegde arbeidsovereenkomst wordt dan ook voorbijgegaan. Omdat tussen partijen geen schriftelijke overeenkomst tot stand is gekomen, moet worden gekeken naar hoe partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. Uit de overgelegde notulen blijkt dat is gesproken over personeelskosten, zonder dat werkneemster hierin zou zijn meegenomen. Ten aanzien van de beloning volgt verder dat werkneemster het eerste kwartaal geen beloning zou ontvangen voor het opzetten van de onderneming en op termijn per jaar een bedrag van € 32.500 zou ontvangen voor advieswerkzaamheden. Het is dan ook duidelijk dat werkneemster gedurende een zekere tijd arbeid heeft verricht voor werkgeefster en hiervoor loon ontving. Het karakter van de gemaakte afspraken en de grote vrijheid die werkneemster had bij het opzetten van de onderneming passen echter niet binnen het kader van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW omdat geen sprake is van enig gezag. Dat betekent dat de overeenkomst niet te kwalificeren is als arbeidsovereenkomst en de verzoeken van werkneemster worden afgewezen.