Naar boven ↑

Rechtspraak

Geesink B.V./Federatie Nederlandse Vakbeweging
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 24 oktober 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:9150
Werkgeefster wordt toegelaten tot bewijslevering dat zij tijdens de COVID-crisis met de ondernemingsraad overeenstemming heeft bereikt over de vaststelling van een week collectieve vakantie of daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen.

Feiten

Geesink B.V. (hierna: Geesink) is producent en leverancier van voertuigen voor de inzameling van afval. In verband met de COVID-pandemie heeft Geesink op 16 maart 2020 besloten tot een productiestop van vier weken. Geesink heeft daarbij drie weken voor haar rekening genomen. De vierde week (de week van maandag 6 april 2020) heeft Geesink aangewezen als een collectieve vakantie. Geesink heeft in verband met haar besluit van 16 maart 2020 op die dag gesproken met vier leden van haar ondernemingsraad (hierna: de OR). De OR van Geesink telde op dat moment in totaal negen leden. Geesink valt onder de Cao Metalektro (hierna: de cao). Op basis van de cao kan onder meer een collectieve vakantie worden vastgesteld, nadat de werkgever daarover overeenstemming heeft bereikt met de OR. Daarnaast moet de werkgever de collectieve vakantie tijdig hebben vastgesteld. Volgens de FNV heeft Geesink in strijd met de cao een collectieve vakantie vastgesteld. De kantonrechter heeft in eerste aanleg onder meer bepaald dat de afgeschreven vakantiedagen moeten worden bijgeschreven dan wel, indien bijschrijving niet meer mogelijk is, deze vakantiedagen moeten worden uitbetaald. Geesink vordert onder meer in hoger beroep de vernietiging van dit vonnis en alsnog afwijzing van de vordering van FNV.

Oordeel

De kernvraag van deze zaak is of de vaststelling door Geesink van week 15 van 2020 als een collectieve aaneengesloten vakantie voldoet aan de cao. Uit de bewoordingen van artikel 4.1.6 uit de cao volgt onmiskenbaar dat de volgorde is dat eerst met de ondernemingsraad overeenstemming wordt bereikt en dat pas daarna de werkgever de collectieve vakantie vaststelt. Daarmee is geen ruimte voor aanvaarding van de – impliciete – stelling van Geesink dat de ondernemingsraad haar vaststelling van de collectieve vakantie achteraf heeft bekrachtigd tijdens de vergadering van de ondernemingsraad van 22 juni 2021. Gesteld noch gebleken is echter dat in de cao is beschreven wanneer sprake is van met de ondernemingsraad bereikte overeenstemming of anderszins aan welke voorwaarden moet zijn voldaan wil sprake zijn van overeenstemming als bedoeld in de cao. Voor de beoordeling of overeenstemming tussen Geesink en de ondernemingsraad is bereikt, is daarmee relevant de wilsvertrouwensleer, zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Het hof houdt het er, gezien de toelichting van Geesink op de inhoud van het OR-reglement, voor dat de ondernemingsraad van Geesink bij gewone meerderheid tot haar voorstellen, standpunten en besluiten komt. Het gaat er daarmee dus om of de meerderheid van de ondernemingsraad met de door Geesink voorgestane collectieve vakantie heeft ingestemd en wat daarover aan Geesink vervolgens is meegedeeld. Aangezien Geesink zich beroept op de met haar ondernemingsraad bereikte overeenstemming over de vaststelling van een collectieve vakantie als bedoeld in de cao als uitzondering op de in artikel 7:638 lid 2 BW neergelegde hoofdregel dat een vakantie wordt vastgesteld overeenkomstig de wensen van een werknemer, rust op haar overeenkomstig de hoofdregel de stelplicht en bewijslast van die stelling. Over de bereikte overeenstemming heeft Geesink naar het oordeel van het hof voldoende gesteld. Wat zij echter heeft gesteld, is vervolgens gemotiveerd door FNV betwist. Wat Geesink heeft aangevoerd en ter onderbouwing daarvan aan stukken heeft overgelegd, levert, anders dan zij meent en tegen de achtergrond van de betwisting door FNV, niet al het bewijs van de juistheid van haar stelling, al is het maar door een zeker gebrek aan vastlegging van een en ander. Het hof zal Geesink – overeenkomstig haar aanbod – daarom toelaten tot bewijs van haar stelling dat zij over de vaststelling van week 15 van 2020 als collectieve vakantie met de ondernemingsraad overeenstemming heeft bereikt, althans dat zij daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen.