Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 31 oktober 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:2027
Feiten
Werknemer is in 2004 als ambtenaar aangesteld bij een voorganger van de Stichting Scholengroep Spinoza voor Voortgezet Onderwijs (hierna: de Stichting). Partijen hebben op 31 december 2021 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Zij zijn daarbij overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2022 met wederzijds goedvinden eindigt, met toekenning aan werknemer van een ontslagvergoeding. In deze overeenkomst is vermeld dat het salaris van werknemer over de periode van 1 januari 2020 t/m november 2021 op 8 december 2021 aan hem is betaald. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend met uitzondering van een eventueel door werknemer te starten procedure inzake de wettelijke verhoging. Werknemer vordert in hoger beroep een bedrag van € 69.743,26 bruto ter zake van wettelijke verhoging over het loon over de periode van 1 januari 2020 t/m 30 november 2021. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. Als gevolg van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 november 2021 is de aanstelling van werknemer als ambtenaar bij de Stichting herleefd. Deze aanstelling is per 1 januari 2020 omgezet naar een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Als gevolg van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft hij vanaf 1 januari 2020 recht op doorbetaling van zijn loon en, omdat het loon te laat is betaald, op de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW.
Oordeel
Omdat de loonaanspraak van werknemer op 1 januari 2020 is ontstaan, het loon pas op 8 december 2021 is betaald en bovendien de akte van aanstelling van werknemer eveneens op 1 januari 2020 van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, heeft werknemer in beginsel op grond van artikel 7:625 BW aanspraak op de wettelijke verhoging. De beslissing van de Stichting om werknemer in het verlengde van het ontslagbesluit geen loon te betalen, komt krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening. Deze tekortkoming kan daarom aan de Stichting worden toegerekend. Ook als pas na verloop van tijd definitieve duidelijkheid is verkregen over de onjuistheid van het standpunt van de Stichting dat wegens het verleende ontslag geen loon was verschuldigd, bestaat in beginsel aanspraak op de wettelijke verhoging. Het hof komt een beperking van de verhoging tot een bedrag van € 10.000 bruto billijk voor.