Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 31 oktober 2023
ECLI:NL:RBNNE:2023:4512
Feiten
Werknemer en werkgever zijn broers van elkaar. Werkgever heeft een advocatenkantoor en werknemer is sinds 1 december 1989 in dienst in de functie van advocaat. Op 20 januari 2015 hebben partijen een overeenkomst getekend, waarin is bepaald dat het salaris van werknemer vanaf 1999 alsnog per jaar wordt geïndexeerd aan de inflatie. De boekhouder van werkgever heeft de indexering berekend op € 18.658 bruto. Werknemer heeft ook een berekening laten maken en hij kwam uit op een nabetaling van minimaal € 120.000 netto. Werkgever heeft het door werknemer berekende bedrag uitbetaald. Op 16 september 2019 heeft werknemer zich ziekgemeld. Op 12 februari 2020 is namens werknemer aanspraak gemaakt op onder andere achterstallig loon en niet betaalde kantoorkosten ter hoogte van € 104.915,78 netto te vermeerderen met € 10.204,26 kantoorkosten. Partijen hebben op 14 februari 2020 en 16 februari 2020 per e-mail met elkaar gecorrespondeerd over het afwikkelen van afspraken. Discussie bestond voornamelijk nog over (de hoogte van) de kantoorkosten. Op 19 februari 2020 heeft werkgever € 104.915,78 betaald. Op 6 juli 2021 heeft het UWV aan werkgever een brief gezonden waarin wordt meegedeeld dat hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen ten opzichte van werknemer heeft voldaan. Het UWV heeft om die reden aan werkgever een loonsanctie opgelegd. Werknemer heeft werkgever op 23 juni 2022 in kort geding gedagvaard en onder andere gevorderd aan werknemer loonspecificaties te verstrekken. Werknemer heeft de loonstroken op 5 juli 2022 ontvangen. Werknemer heeft zijn vordering gewijzigd in die zin dat werkgever zou worden veroordeeld om zo lang de arbeidsovereenkomst loopt een opgave te verstrekken van betaald loon. Werknemer heeft werkgever in augustus 2022 nogmaals gedagvaard in kort geding. Hij heeft in die procedure achterstallig loon over de periode december 2020 tot en met 31 juli 2022 gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. Werknemer heeft zich op 9 september 2022 hersteld gemeld. Werkgever heeft na het vonnis in kort geding van 8 september 2022 ook het maandelijkse loon niet meer voldaan. Nadat werknemer hem op 6 januari 2023 in deze procedure heeft gedagvaard, heeft werkgever op 26 februari 2023 een nettobedrag van € 30.000 aan werknemer betaald. Werknemer heeft zich beschikbaar gehouden voor werk. Werkgever heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland tot ontbinding. Werknemer vordert in onderhavige procedure betaling van (achterstallig) loon. Werkgever vordert o.a. een verklaring voor recht dat hij € 99.315 onverschuldigd heeft betaald.
Oordeel
Indexatie van het loon
De kantonrechter stelt vast dat er tussen partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst in december 1989 geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgemaakt. Dit neemt echter niet weg dat partijen met het ondertekenen van de overeenkomst van 20 januari 2015 alsnog hebben vastgelegd welke loonafspraken tussen hen gelden. Met betrekking tot de indexatie van het loon van werknemer staat in de overeenkomst dat het loon tot en met 2014 wordt geïndexeerd. Dat betekent dat de nabetaling die zag op de jaren tot en met 2014 niet onverschuldigd door werkgever is gedaan. Dat werkgever zich destijds mogelijk met succes op het standpunt had kunnen stellen dat de indexatievordering inmiddels deels was verjaard, maakt dat niet anders. Voor de indexatie vanaf 2015 geldt hetzelfde. In de overeenkomst staat dat in 2015 en volgende jaren het salaris (inclusief vakantiegeld) van werknemer wordt geïndexeerd aan de inflatie, tenzij partijen anders overeenkomen. Gesteld noch gebleken is dat partijen nadien andere afspraken hebben gemaakt. De vordering tot nabetaling van het geïndexeerde loon wordt toegewezen.
Onkostenvergoeding en kantoorkosten
Werkgever heeft ter zitting bevestigd dat partijen nimmer over toekenning van een vaste maandelijkse onkostenvergoeding hebben gesproken. Werknemer heeft ook genoegzaam onderbouwd dat het niet in de rede ligt om dat bedrag als een onkostenvergoeding aan te merken omdat werkgever zowel voor 2015 als tot met 2019 steeds de werkelijke kosten die hij declareerde heeft vergoed. De kantonrechter concludeert dan ook dat het hier inderdaad gaat om (verkapt) loon, waaraan de werkgever om hem moverende redenen administratief een andere kwalificatie heeft gegeven. Dat betekent dat dit loonbestanddeel - net als de rest van het brutoloon - moet worden geïndexeerd, dat dit onderdeel vormt van het loon dat tijdens ziekte moet worden doorbetaald en dat daarover vakantiegeld moet worden berekend. Voor wat betreft de kantoorkosten oordeelt de kantonrecht dat nu de door werknemer gedeclareerde werkelijk gemaakte kantoorkosten, waaronder kosten voor telefoon-en internetaansluitingen vanaf in ieder geval het jaar 2008 tot en met 2019 steeds door werkgever zijn vergoed, er sprake is van een bestendige lijn. Dit wordt dan ook toegewezen.
Loondoorbetaling bij ziekte en na ziekte
De kantonrechter is van oordeel dat de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de loondoorbetaling bij ziekte van werknemer voldoende grond geeft voor het oordeel dat partijen stilzwijgend (nader) de arbeidsvoorwaarde zijn overeengekomen dat werknemer recht had op volledige loondoorbetaling bij ziekte, althans dat werknemer er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat werkgever - ook na het eerste ziektejaar - 100% zou doorbetalen. Werknemer heeft zich verder in zijn e-mail van 9 september 2022 beschikbaar gesteld voor werk en dat in het door de deurwaarder aan werkgever betekende exploot van 3 maart 2023 herhaald. Dit volstaat. Indien een werkgever daarop niet ingaat, komt dat voor zijn rekening en risico. Werkgever is daarom ook over de periode 9 september 2022 tot en met juli 2023 loon aan werknemer verschuldigd.