Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 25 oktober 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:7597
Vordering tot nakoming concurrentiebeding toegewezen. Werknemer overtreedt concurrentiebeding door met eigen eenmanszaak werkzaam te zijn op een specialisatiegebied van voormalig werkgever. Verbeurde boetes gematigd tot € 10.000.

Feiten

Werknemer is op 4 oktober 2016 in dienst getreden bij werkgeefster, een detacherings- en werving- en selectiebureau, in de functie van Consultant Supply Chain. Op 2 oktober 2017 is de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verlengd. In deze arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding (met daaraan gekoppeld een boetebeding) opgenomen. Met ingang van 1 mei 2023 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. Hierin is opgenomen dat het concurrentiebeding (en het boetebeding) uit de arbeidsovereenkomst onverkort van kracht blijft (blijven). Tijdens het dienstverband bij werkgeefster is werknemer van Consultant Supply Chain doorgegroeid naar Senior Consultant Supply Chain (1 april 2018), teammanager/manager consultant (vanaf februari 2019), Senior Sales Consultant Supply Chain (vanaf januari 2020) en nam hij vanaf 2020 deel aan het MT als Managing Senior Sales Consultant Supply Chain. Tussendoor heeft hij bij een krappe bezetting nog af en toe mee geholpen op het gebied van logistiek in de functie van Senior Sales Consultant. Op 1 mei 2023 heeft werknemer zijn eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij exploiteert sindsdien een onderneming in de arbeidsbemiddeling en het werven en selecteren van personeel voor opdrachtgevers. Werkgeefster vordert in kort geding veroordeling van werknemer tot onverkorte nakoming van het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding en tot betaling van ruim € 80.000 aan verbeurde contractuele boetes.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het is voldoende aannemelijk geworden dat het concurrentiebeding van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst bij vaststellingsovereenkomst opnieuw is overeengekomen. Werknemer voert aan dat werkgeefster geen beroep meer op het concurrentiebeding kan doen, onder meer omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan wel omdat het beding zwaarder is gaan drukken. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding is in die overeenkomst terechtgekomen als onderdeel van een totaalpakket. Werknemer is met dat totaalpakket akkoord gegaan, daarmee ook het belang van werkgeefster bij handhaving van dat beding erkennende. Dit leidt ertoe dat niet meer kan worden teruggekomen op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan voordat de vaststellingsovereenkomst is gesloten. Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is immers al rekening gehouden met de belangen van partijen over en weer en zo ook met het gestelde ernstig verwijtbaar handelen door werkgeefster. Ook is met het opnieuw overeenkomen van het concurrentiebeding ondervangen dat het concurrentiebeding mogelijk zwaarder is gaan drukken. Onvoldoende aannemelijk is dan ook dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat werkgeefster geen beroep meer zal kunnen doen op het concurrentiebeding, omdat het zwaarder is gaan drukken. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat er een rechtsgeldig concurrentiebeding tussen partijen is gesloten, dat dit beding in stand blijft en dat werknemer het beding overtreedt, waar hij sedert 1 mei 2023 werkzaam is op in ieder geval één specialisatiegebied als bedoeld in het concurrentiebeding. De vordering tot nakoming van het concurrentiebeding is dan ook toewijsbaar. De kantonrechter gaat over tot matiging van de verbeurde boetes en stelt deze vast op een bedrag van € 10.000, te vermeerderen met wettelijke rente.