Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 14 november 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:9613
Feiten
Werknemer 1 en werknemer 2 zijn in dienst geweest bij Agib. Agib is leverancier van bedrijfshygiënische producten voor melkvee die nodig zijn voor de dagelijkse bedrijfsvoering van melkveehouders. Agib maakt gebruik van een als winkel ingerichte vrachtauto waarmee zij melkveehouders bezoekt. Er gold voor de werkemers geen concurrentiebeding. Werknemers 1 en 2 hebben per 1 januari 2021 BlaarCop opgericht en houden zich via BlaarCop bezig met rechtstreekse verkoop van agrarische producten vanuit vrachtauto’s aan agrariërs. Agib vindt dat sprake is van onrechtmatige concurrentie, waardoor zij schade lijdt. Agib heeft beslag gelegd. De kantonrechter heeft de vorderingen – bestaande uit onder meer een verklaring voor recht dat de werknemers onrechtmatig hebben gehandeld, een verbod om contact te hebben en overeenkomsten te sluiten met klanten en relaties van Agib en betaling van beslagkosten – van Agib afgewezen. De vordering van werknemer 1 tot betaling van een bedrag van € 22.717,50 aan niet-genoten vakantiedagen is toegewezen. Agib komt tegen het oordeel van de kantonrechter in hoger beroep.
Oordeel
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Werknemer 1 en werknemer 2 zijn niet gebonden aan een concurrentie- of relatiebeding. Dit betekent dat het hun in beginsel vrij staat om met Agib als ex-werkgever te concurreren, ook als Agib daarvan nadeel ondervindt. Alleen onder bijkomende omstandigheden kan die concurrentie onrechtmatig zijn. Daarvan is sprake als het gaat om het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van Agib dat werknemers hebben helpen opbouwen met hulpmiddelen die zij daarvoor vertrouwelijk van Agib ter beschikking kregen. Hierover wordt overwogen dat Agib werkzaam was met vaste klanten en via vaste routes waarmee werknemers ook werkzaam waren. Het gaat daarbij wel om een klantenbestand dat geen contractuele band heeft met Agib: de klanten nemen immers wisselend producten af (ook al zijn er volgens Agib klanten met een vast pakket) en de aankoop bij Agib is steeds een vrije keuze. Agib beweert dat dat werknemers onrechtmatige concurrentie hebben gepleegd door systematisch klanten te benaderen in Noord-Holland. Ze wijst op een vergelijkbaar assortiment, prijsstelling en verlies van omzet. Werknemers betwisten dat ze zich alleen op Noord-Holland richten, maar gezien de route die werknemers rijden vanaf hun woonplaats acht het hof het waarschijnlijk dat werknemers zich vanaf het begin op de klanten van Agib in Noord-Holland heeft gericht. Dit op zich is niet onrechtmatig, tenzij er gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Agib stelt dat werknemers vertrouwelijke bedrijfsgegevens hebben gebruikt, zoals persoonsgegevens van klanten, efficiënte routes, historische verkoopgegevens, klanttevredenheid, en leveranciersgegevens. Het hof oordeelt echter dat deze gegevens eerder commerciële informatie zijn die verkopers van nature kennen, en niet als bedrijfsgeheimen kunnen worden beschouwd. Agib heeft om die reden niet bewezen dat werknemers specifieke geheime informatie hebben gebruikt, waardoor zij niet onrechtmatig hebben gehandeld tegenover Agib. Het enkele feit dat werknemers kwalijk hebben gehandeld, bijvoorbeeld door niet eerlijk te zijn over de plannen en door onjuiste uitingen te doen over Agib, maakt niet dat sprake is van onrechtmatige concurrentie. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen.