Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Hago Airport Services B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 oktober 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:2712
Vordering werknemer strekkende tot wedertewerkstelling ook in hoger beroep niet toewijsbaar nu de bodemrechter in eerste aanleg de arbeidsovereenkomst inmiddels heeft ontbonden.

Feiten

Werknemer was sinds 18 november 1991 in dienst bij de rechtsvoorganger van Hago Airport Services (‘Hago’) en vanaf 1 april 2009 bij Hago. In september 2021 heeft Hago een algemeen cultuuronderzoek onder haar medewerkers laten uitvoeren door een onderzoeksbedrijf. Het rapport van januari 2022 wees op diversiteitsproblemen in het leiderschap en meldingen van seksuele intimidatie, waarbij werknemer betrokken was. Hago heeft vervolgens onderzocht of de meldingen op dezelfde medewerker sloegen, wat het geval bleek te zijn. In mei 2022 meldde een medewerkster zich ziek vanwege ongewenst gedrag van werknemer. Op 18 mei 2022 ontkende werknemer de beschuldigingen tijdens een gesprek met Hago. Hij kreeg de keuze tussen beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een verdiepend onderzoek door het onderzoeksbedrijf. Werknemer werd voorlopig vrijgesteld van werk. Op 21 mei 2022 verzocht werknemer om een nieuw onderzoek op de werkvloer. Van juni tot september 2022 voerde het onderzoeksbedrijf in opdracht van Hago een vervolgonderzoek uit, waarbij meerdere collega's gelijkluidende meldingen deden van ongewenste aanrakingen door werknemer. Alternatieve functies werden aangeboden, maar werknemer wilde zijn oude functie behouden. Hago is op 14 april 2023 een bodemprocedure gestart bij de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden wegens verwijtbaar handelen of een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter heeft de arbeidsrechtovereenkomst ontbonden, waartegen werknemer in hoger beroep is gegaan. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd Hago te gebieden om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis hem weder tewerk te stellen in zijn eigen functie, met veroordeling van Hago in de proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat Hago gelet op de aard en de ernst van de meldingen en de overige bevindingen uit het eindrapport vooralsnog een redelijke en voldoende zwaarwegende grond heeft om werknemer niet meer in zijn eigen functie tewerk te stellen. Tegen deze beslissing komt werknemer nu in hoger beroep.

Oordeel

Werknemer stelt in hoger beroep dat de beschuldigingen aan zijn adres, ook na onderzoek, niet zijn komen vast te staan en dat de kantonrechter in onvoldoende mate de belangen van werknemer bij een terugkeer in zijn oude functie heeft meegewogen. Hago bestrijdt de grieven en voert onder meer het verweer dat tussen partijen geen rechtsverhouding meer bestaat aangezien de arbeidsovereenkomst bij beschikking van 27 juni 2023 is ontbonden en de door werknemer gevorderde voorziening alleen al om die reden niet kan worden toegewezen. Dit verweer van Hago slaagt. De kantonrechter heeft de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 september 2023. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:683 lid 1 BW schorst het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter de tenuitvoerlegging van die beslissing niet. Dit betekent dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst die blijkens voornoemde beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, tot gevolg heeft dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst meer bestaat zodat op dit moment geen grond bestaat om van Hago te verlangen dat zij werknemer tot het verrichten van werkzaamheden toelaat, in welke functie en op welke locatie dan ook. Het hof dient in kort geding zijn oordeel in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter en hij kan niet vooruitlopen op een daarover nog te vellen oordeel in hoger beroep tenzij de beschikking van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust. Hiervan is geen sprake.