Naar boven ↑

Rechtspraak

Kemkens B.V./ Sociale Verzekeringsbank
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 7 november 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:3687
Hoewel er – in theorie – andere oorzaken voor mesothelioom mogelijk zijn, is er geen enkele aanwijzing dat dit bij A het geval is. Toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel.

Feiten

SVB treedt op uit hoofde van een volmacht, gegeven door A, als bedoeld in de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers. In de periode van 1989 tot 1996 is A als verwarmingsmonteur in dienst geweest bij Kemkens. In maart 2019 heeft een longarts bij A de longziekte 'maligne mesothelioom' vastgesteld. Naar aanleiding daarvan heeft A zich gemeld bij het Instituut Asbestslachtoffers (IAS). Het NMP heeft in opdracht van IAS bij verslag van 18 april 2019 de diagnose bevestigd. Bij brief van 8 juli 2019 heeft A Kemkens aansprakelijk gesteld. Kemkens heeft de aansprakelijkheid betwist. Op 30 juli 2019 heeft A op grond van de TAS van SVB een uitkering ontvangen van € 20.730. IAS heeft Kemkens verzocht of zij bereid is mee te werken aan bemiddeling over een schadevergoeding voor A. Bij brief van l6 juli 2019 heeft Kemkens aan het IAS laten weten daarin niet te zijn geïnteresseerd. SVB noch A heeft andere (rechts)personen aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van de longziekte van A. Evenmin bestaat naar aanleiding daarvan voor A recht op een uitkering uit een verzekeringsovereenkomst. SVB vordert een verklaring voor recht dat Kemkens aansprakelijk is voor alle huidige en toekomstige materiële en immateriële schade die voortvloeit uit de asbestblootstelling van A tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Kemkens. SVB vordert verder betaling van smartengeld en verwijzing naar een schadestaatprocedure. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. Kemkens is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis.

Oordeel

Kemkens stelt dat de kantonrechter ten onrechte de arbeidsrechtelijke omkeringsregel heeft toegepast. Volgens Kemkens is te onzeker en te onbepaald dat de ziekte van A is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens de werkzaamheden voor Kemkens, zodat de kantonrechter niet had mogen uitgaan van het rechtsvermoeden van causaal verband. Kemkens stelt daartoe ten eerste dat er ook andere oorzaken voor het ontstaan van mesothelioom kunnen zijn dan blootstelling aan asbest. Het hof volgt Kemkens hierin niet. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de kantonrechter dat, hoewel er – in theorie – andere oorzaken voor mesothelioom mogelijk zijn, er geen enkele aanwijzing is dat dit bij A het geval is. Hetgeen Kemkens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Kemkens noemt weliswaar, onder verwijzing naar het door haar overgelegde RIVM-rapport als alternatieve oorzaken blootstelling aan erioniet, straling, borstletsel en het "SV40-virus", maar zij onderbouwt op geen enkele wijze dat, en zo ja hoe, deze alternatieve oorzaken van toepassing zijn op A. Dit kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het causaal verband te onzeker of onbepaald is. Kemkens stelt daarnaast dat A ook op andere werkplekken is blootgesteld aan asbest, zodat met onvoldoende zekerheid kan worden gezegd dat de ziekte van A is ontstaan door de asbestblootstelling bij Kemkens. Het hof is van oordeel dat de mate van blootstelling aan asbest bij Kemkens en de verhouding met de duur en mate van (mogelijke) blootstelling aan asbest tijdens andere werkzaamheden, niet tot de conclusie leidt dat het oorzakelijk verband tussen ziekte van A en de blootstelling aan asbest bij Kemkens te onzeker of te onbepaald is. Hierbij weegt het hof mee dat A tijdens de werkzaamheden in ieder geval dagelijks op intensieve wijze met asbest in aanraking is geweest. Het hof komt daarom tot het oordeel dat A tijdens zijn werkzaamheden bij Kemkens gedurende een lange periode regelmatig op intensieve wijze is blootgesteld aan asbest. Hieruit volgt dat niet gezegd kan worden dat de duur en mate van asbestblootstelling bij Kemkens zo gering is geweest, dat het oorzakelijk verband reeds daarom te onzeker of te onbepaald is. Het hof is verder van oordeel dat niet is vast komen te staan dat A ook buiten zijn dienstverband bij Kemkens gedurende lange tijd regelmatig en intensief aan asbest is blootgesteld. Dit brengt mee dat, met toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, wordt vermoed dat de asbestblootstelling tijdens de werkzaamheden voor Kemkens de oorzaak is geweest van de ziekte van A. Kemkens heeft niet voldoende tegenbewijs geleverd om het rechtsvermoeden te ontzenuwen. Voor toepassing van de proportionele aansprakelijkheid is verder geen ruimte, nu niet is vast komen te staan dat A op een andere werkplek aan asbest is blootgesteld. Het vonnis waartegen beroep wordt bekrachtigd.