Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 15 november 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:6072
Feiten
Werkende en werkverschaffer zijn op 10 januari 2018 een waarneemovereenkomst overeengekomen, waarbij werkverschaffer een huisartsenpost exploiteert en werkende werk verricht als huisarts binnen dit verband, bestaande uit werkzaamheden voor de aldaar praktijkhoudende huisartsen en regiewerkzaamheden. Op 29 december 2022 heeft werkverschaffer werkende een brief verstuurd waarin haar kenbaar is gemaakt dat de waarneemovereenkomst – met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden – eindigt per 1 maart 2023 vanwege een verstoorde werkrelatie. Werkende verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat de waarneemovereenkomst een arbeidsovereenkomst betreft. Werkverschaffer stelt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Oordeel
De kantonrechter kwalificeert de waarneemwerkzaamheden en regiewerkzaamheden apart. Volgens de kantonrechter was de waarneemovereenkomst niet de overeenkomst op grond waarvan de waarneemwerkzaamheden werden verricht. Voor wat betreft de waarneemwerkzaamheden contracteerde werkende immers direct met de betreffende praktijkhoudende huisarts, zodat in dier voege geen sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst. Dan de regiewerkzaamheden. Voor regiediensten tot 2020 geldt in feite hetzelfde. In 2020 is vervolgens een regiepoule opgericht, waarna de kwalificatievraag genuanceerder wordt. Vaststaat dat werkende arbeid ten behoeve van werkverschaffer heeft verricht en hiervoor loon ontving. De kwalificatievraag scharniert dus op het gezagscriterium.
Mate van vrijheid
Werkende was in principe vrij zichzelf in te roosteren voor een regiedienst. Eenmaal ingeschreven kon werkende zich enkel laten vervangen door een arts uit de regiepoule, maar aangezien dit in de praktijk nauwelijks voorkwam, legt dit weinig gewicht in de schaal. Volgens de kantonrechter is de vrijheid van inroostering een aanwijzing voor de afwezigheid van een gezagsrelatie. Daarenboven was werkende gebonden aan begin- en eindtijden van diensten, maar dit was inherent aan de aard van de werkzaamheden en zegt niets over een eventuele gezagsrelatie.
Wijze van beloning
De wijze van beloning wijst eveneens op de afwezigheid van een gezagsrelatie, nu werkende facturen stuurde namens haar eenmanszaak, het alleen vergoeding betrof voor daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en het tarief hoger was dan het NZA-tarief voor huisartsen en er bovendien geen loonbelasting en sociale premies werden afgedragen.
Mate van inbedding
De inbedding van het werk duidt duidelijk op de aanwezigheid van een gezagsrelatie. De werkzaamheden betroffen een kernactiviteit van werkverschaffer, werkende gebruikte diens IT-systemen, werkverschaffer stelde voldoende personele ondersteuning ter beschikking en werkende gebruikte de materialen van werkverschaffer. Daar staat tegenover dat werkende de vrijheid had af te zien van een 360 graden feedback-analyse naar aanleiding van een functioneringsgesprek en werkende op eigen kosten een NHG-coach in de arm heeft genomen. Dit vormt volgens de kantonrechter een contra-indicatie.
Presentatie als ondernemer
De kantonrechter weegt mee dat voor wat betreft de waarneemwerkzaamheden alsmede de regiewerkzaamheden tot 2020 reeds is vastgesteld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De waarneemwerkzaamheden vormden echter wel 70% tot 80% van de werkzaamheden. Daar komt volgens de kantonrechter bij dat werkende gebruik heeft gemaakt van de fiscale voordelen van het ondernemerschap. De enige verandering is dat werkende per 2020 is gaan factureren aan werkverschaffer inzake regiewerkzaamheden. Dit alles duidt op de afwezigheid van een gezagsrelatie.
Holistisch wegend komt de kantonrechter tot de slotsom dat de werkzaamheden van werkende weliswaar zijn ingebed, maar dat al het overige duidt op de afwezigheid van een gezagsrelatie, zodat het verzoek moet worden afgewezen.