Rechtspraak
Feiten
Bij tussenvonnis van 27 januari 2023 is Lamers Nijmegen Verwarmings- en Luchtbehandeling B.V. (hierna: Lamers) toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands gegeven oordeel dat de gezondheidsschade van werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden bij Lamers heeft verricht. Lamers heeft in het kader van haar bewijsopdracht bij akte een deskundigenoordeel overgelegd. Daarna zijn eisers (de erfgenamen van werknemer) in de gelegenheid gesteld (nader) bewijs te leveren en een antwoordakte te nemen. In haar akte is Lamers, naast de bewijsopdracht, ook ingegaan op de in het tussenvonnis aan het voorshands gegeven oordeel ten grondslag gelegde beslissing dat: (a) eisers hebben aangetoond dat werknemer zijn werkzaamheden bij Lamers heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk konden zijn voor zijn gezondheid, (b) eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat werknemer leed aan gezondheidsklachten die door de blootstelling aan asbestvezels kunnen zijn veroorzaakt; (c) Lamers heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade leed. De kantonrechter begrijpt dat Lamers de kantonrechter hiermee eigenlijk vraagt terug te komen op deze beslissingen.
Oordeel
Beslissing a.
Lamers betwist dat werknemer is blootgesteld aan asbest en stelt dat zelfs als wordt uitgegaan van de door werknemer aangevoerde werkhandelingen geen sprake is van een voor asbestose relevante blootstelling. Ter onderbouwing wijst Lamers op het deskundigenoordeel dat aangeeft dat het aantal vezeljaren dat Lamers mogelijk is blootgesteld tijdens zijn dienstverband bij Lamers 0,017 tot 0,0067 bedraagt. Dat is ruim onder de drempelwaarde van vijf vezeljaren waarbij volgens de Gezondheidsraad asbestose ontstaat. In het tussenvonnis is reeds geoordeeld dat ook als de blootstellingsdrempel in de werkzaamheden voor Lamers niet zou zijn overschreden, de blootstelling wel kan hebben bijgedragen aan het ontstaan en het beloop van asbestose wanneer de blootstelling in het eerdere werkzame leven van werknemer daarbij wordt opgeteld. De kantonrechter stelt vast dat de eerdere beslissing niet berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.
Beslissing b.
Lamers stelt verder dat niet vaststaat dat sprake is van diffuse longfibrose/asbestose veroorzaakt door (overmatige blootstelling aan) asbestvezels. Wat hier ook van zij, het is niet het geval dat in het tussenvonnis is geoordeeld dat sprake is van asbestose. Geoordeeld is dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat werknemer leed aan gezondheidsklachten die door de blootstelling aan asbestvezels kunnen zijn veroorzaakt. De kantonrechter ziet dus geen aanleiding om op het oordeel terug te komen.
Belissing c.
Volgens Lamers is geen sprake van een zorgplichtschending. In het deskundigenoordeel staat dat de gemiddelde concentratie asbestvezels die werknemer heeft ingeademd tijdens zijn dienstverband bij Lamers 0,0013 tot 0,0052 vezels/cm3 bedraagt en daarmee ruimschoots ligt onder de toen geldende grenswaarde voor asbestvezels in de werkatmosfeer. Ook deze berekeningen leiden er niet toe dat de kantonrechter terug zal (moeten) komen op de eerdere beslissing. Van belang daarbij is dat is uitgegaan van aannames aangaande de omvang van de asbestblootstelling, terwijl niet van de juistheid van die aannames kan worden uitgegaan.
Conclusie
De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 27 januari 2023. Nu het causaal verband vast staat, geldt dat Lamers aansprakelijk is voor de door werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Lamers wordt veroordeeld om de schade van eisers te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.