Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 12 december 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:2323
Feiten
Werknemer is in 1990 of 1991 in dienst getreden bij The Tappan Group Inc. als communicatiedeskundige en adviseur/ontwerper. Tussen partijen is in geschil bij welke vennootschap van de desbetreffende groep hij naderhand in dienst is geweest. Tot 1 juni 2001 gold voor werknemer als pensioenregeling een eindloonregeling, die was ondergebracht bij Nationale Nederlanden. Op die datum is overgegaan op een beschikbare premieregeling. Op 1 oktober 2001 is er een waardeoverdracht geweest. Per 1 juli 2003 is werknemer uit dienst getreden. In eerste aanleg heeft werknemer hoofdelijke veroordeling van Tappan c.s. gevorderd tot (kort gezegd) betaling van primair € 136.340 en subsidiair € 113,153. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld. Werknemer heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd. Hij vordert ook een verklaring voor recht dat werkgever toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de pensioenovereenkomst doordat werkgever de pensioenregeling bestaande uit een eindloonregeling heeft beëindigd ingaande 1 juni 2001 dan wel de pensioenregeling niet heeft voortgezet zonder zijn toestemming.
Oordeel
Het hof acht de vorderingen van werknemer niet toewijsbaar. Werknemer stelt allereerst dat werkgever de pensioenregeling zonder zijn (uitdrukkelijke) instemming heeft beëindigd dan wel gewijzigd. Hij betwist dat hij een nadere overeenkomst heeft gesloten waarin hij de beëindiging van de eindloonregeling en het aangaan van de beschikbare premieregeling heeft aanvaard. Op grond van de door werkgever ingediende stukken is echter genoegzaam komen vast te staan dat werknemer heeft ingestemd met de wijziging van de pensioenregeling. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat vast is komen te staan dat enkele werknemers destijds niet hebben ingestemd met de overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Tot die werknemers behoorde werknemer klaarblijkelijk niet. Het volgende verwijt dat werknemer werkgever maakt, is dat hij hem bij de overgang van de eindloonregeling naar de beschikbare premieregeling per 1 juni 2001 respectievelijk bij de waardeoverdracht per 1 oktober 2001 niet naar behoren heeft geïnformeerd over en gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen en de risico’s van de overgang naar de nieuwe pensioenregeling respectievelijk de waardeoverdracht. Het hof acht aannemelijk dat ook werknemer destijds een informatiebrief over de nieuwe pensioenregeling heeft ontvangen, zoals werkgever heeft aangevoerd. Werknemer heeft weliswaar gesteld een dergelijke brief niet te kennen, maar het hof leest hierin niet de stelling dat hij een dergelijke brief destijds niet heeft ontvangen. Wat de voorlichtingsbijeenkomsten betreft, heeft werknemer gesteld dat hij sinds eind jaren 90 werkzaam was in de vestiging Utrecht en dat hij betwist dat dergelijke bijeenkomsten plaatsvonden in de vestiging Utrecht. Hij heeft ook naar voren gebracht dat werkgever niet verifieerde of alle personeelsleden wel aanwezig waren bij dergelijke bijeenkomsten zodat helemaal niet vaststaat dat de werknemers deze bijeenkomsten bijwoonden. Het hof acht niet aannemelijk dat bij de organisatie van de voorlichtingsbijeenkomsten de werknemers die werkzaam waren op de Utrechtse vestiging bij de voorlichtingsbijeenkomsten buiten de boot vielen. De uitlating van werknemer “Het staat mij niet meer bij of is gezegd dat men niet over hoefde te gaan” acht het hof onvoldoende als betwisting van het verweer van Tappan c.s. dat alle werknemers ook de mogelijkheid hadden om niet in te stemmen met de wijziging van de pensioenregeling, waaraan nog kan worden toegevoegd dat enkele werknemers ook daadwerkelijk van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt.