Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 20 mei 2015
ECLI:NL:RBZWB:2015:9020
Feiten
Werknemer is op 16 februari 1981 in dienst getreden bij werkgever. Per 1 februari 1998 is hij benoemd tot directeur-bestuurder. Werknemer is door middel van een ontslagbesluit per 1 april 2015 ontslagen. Bij dit besluit is tevens bepaald dat hij vrijgesteld zal zijn van werk gedurende de opzegtermijn en dat aan hem niet de overeengekomen ontslagvergoeding wordt betaald nu deze in strijd is met de Wet normering topinkomens (WNT). Werknemer maakt aanspraak op een bedrag van ongeveer € 590.000 op basis van de gemaakte afspraak in zijn arbeidsovereenkomst. Werknemer vordert uitbetaling van voornoemd bedrag.
Oordeel
De omstandigheden van het onderhavige geval zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig dat de RvC in het ontslagbesluit de hoogte van de beëindigingsvergoeding eenzijdig kon wijzigen in een bedrag van € 75.000 bruto. Als goed werkgever is werkgever immers gehouden om zich te houden aan de door hem eerder overeengekomen afspraken met werknemer. Evenmin zijn er feiten of omstandigheden gebleken die maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat werknemer uitbetaling van de tussen partijen overeengekomen beëindigingsvergoeding vordert. De rechter moet immers terughoudendheid betrachten bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW. De tussen partijen gemaakte afspraak zoals neergelegd in artikel 19 lid 4 van de arbeidsovereenkomst is duidelijk. Ook de overige omstandigheden van het geval, zoals de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen, maken niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat werknemer nakoming van werkgever van de contractuele afspraak wenst. De in de conclusie van antwoord en in de pleitaantekeningen genoemde gewijzigde omstandigheden kunnen niet worden gekwalificeerd als onvoorziene omstandigheden ex artikel 6:258 BW, op grond waarvan de contractuele beëindigingsvergoeding, mede gelet op artikel 3:12 BW, gewijzigd dan wel gematigd moet worden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat periodes van hoogconjunctuur worden afgewisseld met periodes waarin het economisch minder gaat. Ook is het een gegeven dat maatschappelijke opvattingen aan verandering onderhevig zijn. Deze omstandigheden zijn echter niet van dien aard dat werknemer gelet op de onderhavige omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet zou mogen verwachten. Bij aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden dient terughoudendheid te worden betracht. De redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe. Van die hoge uitzondering is - gelet op het vooroverwogene - geen sprake. Al het voorgaande brengt met zich dat werknemer aanspraak kan maken op de contractueel overeengekomen vergoeding tussen partijen, hetgeen neerkomt op een vergoeding ad € 589.604.