Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 17 januari 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:229
Financiƫle afwikkeling einde dienstverband. Horeca-cao van toepassing. Werknemer stelt dat werkgeefster niet heeft voldaan aan haar betalingsverplichtingen en vordert allerlei bedragen. Vorderingen slechts gedeeltelijk toegewezen.

Feiten

Werknemer is per 1 augustus 2021 bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van zelfstandig werkend kok, op basis van een arbeidsduur van 38 uur per week en een loon van € 1.900 netto per maand. Partijen zijn de arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van een jaar. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (hierna: de cao) van toepassing. Het dienstverband is op 31 juli 2022 geëindigd. In geschil is of werkgeefster tegenover werknemer volledig heeft voldaan aan haar (betalings)verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst die vanaf 1 augustus 2021 tot 1 augustus 2022 tussen partijen heeft bestaan. Volgens werknemer is dat niet het geval. Hij stelt, kort gezegd, dat werkgeefster hem nog overuren, achterstallig loon over de maand juli 2022, feestdagentoeslag, niet genoten vakantiedagen en vakantiegeld, en de wettelijke verhoging over deze bedragen, alsook een vergoeding wegens het niet tijdig aanzeggen van het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na 31 juli 2022 is verschuldigd, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

Oordeel

Overuren - minuren en beroep op verrekening

Volgens werknemer moet werkgeefster hem een bedrag van € 2.409,67 netto aan overuren voldoen. De kantonrechter is van oordeel dat, aangezien werknemer zich erop beroept dat hij op verzoek van werkgeefster overuren heeft gemaakt die bij het einde van het dienstverband hadden moeten worden uitbetaald, het op zijn weg ligt om die stelling voldoende te onderbouwen en daartoe de juistheid van de door werkgeefster overgelegde urenregistratie gemotiveerd te betwisten. Dat heeft hij niet gedaan en daarom wordt zijn vordering afgewezen. Werkgeefster kan  evenmin worden gevolgd in haar stelling dat zij vanwege de door haar gestelde minuren een vordering heeft op werknemer, wat betekent dat aan werkgeefster geen beroep op verrekening toekomt voor zover zij aan werknemer nog enig bedrag is verschuldigd.

Achterstallig loon, feestdagentoeslag, aanzegvergoeding

Werkgeefster betwist in deze procedure niet (meer) dat zij een bedrag aan achterstallig loon is verschuldigd. Zij beroept zich uitsluitend op verrekening daarvan met haar tegenvordering. Aangezien dat verweer bij gebreke van die tegenvordering niet slaagt, zoals reeds overwogen, is de vordering van werknemer tot het bedrag van € 1.792,73 netto toewijsbaar. Bij gebreke van die onderbouwing wordt werkgeefster gevolgd in haar verweer dat werknemer blijkens de overgelegde urenregistratie niet 53,2 uren op zeven feestdagen, maar 38,5 uren op zes feestdagen heeft gewerkt. Dat betekent dat de gevorderde toeslag slechts tot het bedrag van € 222,15 toewijsbaar is. Het beroep van werknemer op de aanzegvergoeding slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter is werkgeefster deze vergoeding niet verschuldigd aangezien haar verweer slaagt dat zij aan deze verplichting heeft voldaan.

Vakantiedagen, vakantiegeld, wettelijke verhoging

Werknemer stelt voorts dat hij van de hem toekomende 25 (twintig wettelijke en vijf bovenwettelijke) vakantiedagen slechts zes dagen heeft opgenomen, zodat hem nog negentien dagen á € 87,70 ofwel een bedrag van € 1.666,38 netto moet worden uitbetaald. Onder verwijzing naar de cao oordeelt de kantonrechter dat werkgeefster nog een bedrag van € 1531,86 netto verschuldigd is. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%.