Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkneemster/indirect bestuurders werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 2 februari 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:309
Bestuurdersaansprakelijkheid vordering ex-werkneemster. Voormalig werkgever biedt geen verhaal omdat indirect bestuurders willens en wetens de rekening van de vennootschap hebben leeggehaald en leeg gehouden.

Feiten

Werkneemster is tot 1 januari 2021 in dienst geweest bij X. B, C en D zijn indirect bestuurder van X (geweest) en zijn indirect aandeelhouder. Werkneemster heeft een vordering op X, vastgesteld bij vonnis en bekrachtigd in hoger beroep. Het gaat in totaal om een bedrag van € 15.406,87 met rente. Werkneemster kan haar vordering niet verhalen: X biedt geen verhaal. Werkneemster stelt dat B, C en D als indirect bestuurders van X persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade die zij hierdoor lijdt. B, C en D hebben namelijk geld aan de rekening van X onttrokken. Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat B, C en D persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade en een proceskostenveroordeling. B en C voeren verweer. D heeft verstek laten gaan.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de indirect bestuurders niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de vordering van werkneemster. Als zij echter wanprestatie plegen bij een bestaande overeenkomst, in dit geval de arbeidsovereenkomst met werkneemster, kunnen zij wel persoonlijk aansprakelijk zijn. De norm hierbij is of het handelen of nalaten van de betrokken bestuurders zodanig onzorgvuldig is geweest, dat hun een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat er tussen de bestuurders en X een aantal rechtspersonen zit, is niet van belang. Zij zijn namelijk uiteindelijk de natuurlijke personen die het voor het zeggen hebben bij X (als bestuurder én als aandeelhouder). Tussen werkneemster en X is op enig moment een geschil ontstaan over het einde van het dienstverband. Dit gaat om een bedrag dat X heeft ingehouden ten titel van schadevergoeding op de eindafrekening van werkneemster. Het is niet meer nodig uitgebreid in te gaan op dat geschil omdat in rechte vast is komen te staan dat die inhouding onterecht was. Op 28 december 2020 heeft de gemachtigde van werkneemster aan B geschreven dat rechtsmaatregelen zouden worden genomen. Diezelfde dag heeft B aan C en D geschreven dat X maatregelen heeft genomen om conservatoir beslag van werkneemster onmogelijk te maken. Volgens de bestuurders is het geld van de rekening gehaald om belastingschulden en andere opeisbare vorderingen te betalen. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet dé reden geweest om de rekening van X leeg te halen. Dat is blijkens voornoemde e-mail namelijk dat er voor werkneemster nog iets te halen valt bij X. Ook blijkt de stelling dat andere betalingen moesten worden verricht om de continuïteit van X veilig te stellen maar deels waar. X was blijkens een verklaring namelijk al technisch failliet dus om welke continuïteit gaat het hier? Daarnaast blijkt uit andere e-mails dat er eind maart 2021 nog € 10.174,19 over was van het weggesluisde geld. Dat er daarna nog schulden zijn betaald, en zo ja welke, is niet gesteld of gebleken. De stelling dat X in een penibele financiële situatie verkeerde, is niet onderbouwd. Als het geld op de rekening was blijven staan, had werkneemster daarop beslag kunnen leggen. Verder is gebleken dat nadat de activiteiten van X zijn gestaakt, diezelfde activiteiten nog steeds door B en C worden ontplooid in een andere werkmaatschappij, die eveneens valt onder de holding. Een en ander kan niet los worden gezien van de e-mail d.d. 28 december 2020. Tot slot is op 4 maart 2021 nog een aanzienlijk bedrag naar de rekening van X overgemaakt en er vervolgens door D afgehaald. Dit getuigt van onzorgvuldig handelen en maakt dat de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De vorderingen worden toegewezen.