Naar boven ↑

Rechtspraak

Voldoende is vast komen te staan dat werkneemster tijdens haar werkzaamheden op de manage schade heeft geleden aan haar pols. Werkgeefster heeft niet voldaan aan haar zorgplicht en is dan ook aansprakelijk.

Feiten

Werkneemster was vanaf 2011 werkzaam in de manege bij Diekshuus. Op 30 oktober 2019 is zij ten val gekomen en heeft daarbij ernstig polsletsel opgelopen. Achmea, de verzekeraar van Diekshuus, heeft onderzoek verricht naar de toedracht van, en omstandigheden rond het ongeval. Ook is onderzoek laten doen naar de stroefheid van de vloer. Diekhuus heeft medio 2019 een RI&E laten uitvoeren. Werkneemster is voor 100% afgekeurd door het UWV en ontvangt vanaf oktober 2021 een WIA-uitkering. Werkneemster houdt Diekshuus aansprakelijk voor door haar geleden schade. Diekshuus ontkent dat zij gehouden is enige schade te vergoeden. In eerste aanleg heeft werkneemster onder andere een verklaring voor recht verzocht dat Diekhuus aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade. De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen. Werkneemster komt tegen de beschikking in hoger beroep.

Oordeel

Werkneemster heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij tijdens het schuiven van mest is gevallen. Ook een van de vennoten van Diekhuus, X, heeft verklaard dat werkneemster is gevallen/uitgegleden. Dit is ook bevestigd in een (vooraf door Diekhuus opgenomen) verklaring van een verstandelijk beperkte collega die de betreffende dag met werkneemster werkzaam was. Die verklaarde dat werkneemster ‘gewoon uitgegleden is’. Tijdens het getuigenverhoor is de collega daarop teruggekomen, maar dat acht het hof weinig geloofwaardig. Verder blijkt dat werkneemster na het ongeval aan meerdere personen heeft laten weten dat zij bij Diekshuus in de potstal is gevallen. Het hof acht de betwisting dat werkneemster van haar eigen paard is gevallen, onvoldoende tegenover de (vele) concrete feiten en omstandigheden die werkneemster heeft aangevoerd. Het hof is van oordeel dat werkneemster voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden. De vervolgvraag is of Diekshuus aan haar zorgplicht heeft voldaan. Voor de beoordeling van die vraag gaat het erom of zij voor het verrichten van de specifieke werkzaamheden - het achter de shovel aanlopen om handmatig de laatste resten stro en mest naar binnen te scheppen - zodanige maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft gegeven als redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat werkneemster in de uitoefening hiervan schade zou lijden als gevolg van uitglijden over een natte en vuile laag van stroresten. Niet alleen blijkt uit het toedrachtonderzoek dat het stro (vermengd met mest en urine) nat kan zijn, ook Diekshuus zelf heeft meerdere malen in haar processtukken naar voren gebracht dat de aard van dit werk meebrengt dat de vloer vochtig kan zijn. Diekshuus heeft medio 2019 een risico-inventarisatie laten maken, maar daarin is niets opgenomen over schoonmaakwerkzaamheden in de stallen. Nu Diekshuus erop bedacht had moeten zijn dat de specifieke werkzaamheden het risico van uitglijden en vallen met zich brengen, had zij in haar risico-inventarisatie daaraan aandacht moeten besteden en zo nodig extra veiligheidsmaatregelen moeten treffen. Of de vloer ruw genoeg was, kan in het midden blijven omdat de vloer door het mengsel van mest/urine/stro nat kan zijn. Die mogelijkheid is voldoende om te verlangen dat nadere voorzorgsmaatregelen worden genomen. Ook is niet komen vast te staan dat Diekshuus op het punt van het verstrekken van de juiste veiligheidsschoenen aan haar zorgplicht heeft voldaan. Evenmin heeft Diekshuus voldoende onderbouwd dat het plaatsen van (rubberen) stalmatten redelijkerwijs niet van haar gevergd kon worden. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de vorderingen van werknemer worden toegewezen.