Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20 december 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:22032
Feiten
Op 20 september 2001 is de uitzendonderneming B opgericht. Stichting Administratiekantoor A was sinds de oprichting enig aandeelhouder van onderneming B. X was van 16 november 2010 tot 30 oktober 2018 alleen/zelfstandig bestuurder van B. Z was van 30 oktober 2018 tot 8 juli 2020 alleen/zelfstandig bestuurder van onderneming B . Y was van 8 juli 2020 tot 1 augustus 2021 alleen/zelfstandig bestuurder van onderneming B. Op 29 oktober 2019 heeft Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (hierna: SNCU) onderneming B aangeschreven voor een onderzoek op naleving van de cao voor uitzendkrachten. Onderneming B is verzocht om in het kader van dit onderzoek een selectie van administratieve bescheiden aan te leveren. B heeft aan dit verzoek niet voldaan. Op 6 mei 2020 heeft Providius een rapport opgemaakt waarin is aangegeven op welke onderdelen cao-overtredingen zijn geconstateerd. Op 22 oktober 2021 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat onderneming B is ontbonden en is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1 augustus 2021. Stichting A is ontbonden per 27 december 2021. Op 25 oktober 2021 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de vennootschap door een besluit van de algemene vergadering op 1 augustus 2021 – 12 weken eerder – is ontbonden en dat de liquidatie per diezelfde datum is beëindigd (turboliquidatie). De onderneming heeft dit niet gemeld bij de SNCU. Op 31 december 1997 is de uitzendonderneming onderneming A opgericht. X is van 10 februari 2010 tot 1 januari 2022 alleen/zelfstandig bestuurder geweest van onderneming A. Vanaf 1 januari 2022 is Stichting B alleen/zelfstandig bestuurder van onderneming A. Vanaf 13 september 2016 is Stichting B tevens enig aandeelhouder van onderneming A. Van 10 februari 2010 tot 1 januari 2022 is X alleen/zelfstandig bestuurder van Stichting B geweest. Sinds 1 januari 2022 is Y alleen/zelfstandig bestuurder van Stichting B. Op 13 april 2021 heeft SNCU onderneming A aangeschreven met de mededeling dat zij is geselecteerd voor een onderzoek op naleving van de cao voor uitzendkrachten. B is verzocht om in het kader van dit onderzoek een selectie van administratieve bescheiden aan te leveren. Onderneming A heeft aan dit verzoek niet voldaan. Op 21 december 2021 heeft SNCU de gevraagde bescheiden van onderneming A ontvangen. Op 10 maart 2022 heeft CIVAP van dit onderzoek een rapport opgemaakt waarin is aangegeven op welke onderdelen cao-overtredingen zijn geconstateerd. Onderneming A heeft een reactie gegeven op het rapport, waarna CIVAP op 25 maart 2022 een definitieve rapportage heeft opgesteld en toegestuurd. SNCU vordert onder meer Y, X en Z als voormalig bestuurders van onderneming B hoofdelijk te veroordelen tot nabetaling over de gaan van de materiële schadelast en een schadevergoeding. SNCU legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Y, X en Z als voormalig bestuurders van B onrechtmatig tegenover de uitzendkrachten en tegenover SNCU hebben gehandeld. Met hun handelwijze hebben zij bewerkstelligd dat onderneming B haar verplichtingen niet is nagekomen. Verder hebben onderneming A en Stichting B, Y en X als (indirect) bestuurders van onderneming A onrechtmatig tegenover de uitzendkrachten en tegenover SNCU gehandeld.
Oordeel
In beginsel is een bestuurder van een besloten vennootschap niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. De bestuurder kan echter wel aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap indien hij als bestuurder een onrechtmatige daad heeft begaan. Vast staat dat SNCU B voor de eerste maal heeft aangeschreven op 29 oktober 2019 en per die datum kenbaar heeft gemaakt dat onderneming B is geselecteerd voor een onderzoek op naleving van de cao voor uitzendkrachten en B is verzocht om in het kader van dit onderzoek een selectie van administratieve bescheiden aan te leveren. Vast staat dat Z op dat moment alleen/zelfstandig bestuurder was van onderneming B. Z had als bestuurder van onderneming B dus in ieder geval vanaf 6 mei 2020 al ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid dat SNCU een vordering op onderneming B zou hebben. In dat kader heeft SNCU tevens onweersproken gesteld dat onderneming B in de periode dat Z bestuurder was blijkens de jaarrekening van 2020 voldoende middelen had om de benadeling te herstellen en de schadevergoeding te voldoen. Niet in geschil is dat Z deze middelen daartoe niet heeft aangewend. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat handelen dusdanig onzorgvuldig dat Z daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en zij jegens SNCU toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. Vast staat verder dat Y – die ten tijde van de ontbinding van onderneming B alleen/zelfstandig bestuurder was – heeft nagelaten SNCU op enig moment te informeren over de ophanden zijnde ontbinding van de onderneming en dat SNCU daar zelf achter heeft moeten komen. Door onderneming B binnen de gegeven omstandigheden te ontbinden en SNCU niet te informeren tot welke entiteit zij zich moest wenden met haar vordering, heeft Y naar het oordeel van de kantonrechter jegens SNCU toerekenbaar onrechtmatig gehandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat X feitelijk nog steeds bestuurder was van onderneming B en dat hij in een dusdanige machtspositie verkeerde dat hij het beleid van onderneming B met betrekking tot het al dan niet verstrekken van een reactie en het indienen van herstelstukken aan SNCU naar aanleiding van de hercontrole van CIVAP, kon bepalen. Een en ander leidt tot de conclusie dat Y, Z en X allen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen van SNCU met betrekking tot onderneming B. De verweren van gedaagden ten aanzien van de hoogte van de materiële schadelasten zullen worden verworpen en Y, Z en X zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot nabetaling van de materiële schadelast ten aanzien van onderneming B en onderneming A. Stichting B en Y zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot nabetaling van de materiële schadelast ten aanzien van onderneming A.