Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 februari 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:1783
Kort geding. Werkgever moet te weinig betaald loon tijdens ziekte alsnog betalen. Overige vorderingen afgewezen.

Feiten

Werkneemster is op 1 maart 2007 bij werkgeefster in dienst getreden als receptioniste van een recreatiedorp. Haar salaris bedraagt € 3.551,59 exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten op basis van een werkweek van 38 uur. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Verblijfsrecreatie van toepassing verklaard. Op 16 augustus 2022 heeft werkneemster zich ziekgemeld en vanaf dat moment is zij arbeidsongeschikt. Bij brief van 14 december 2022 heeft de gemachtigde van werkgeefster medegedeeld dat werkneemster per direct voor onbepaalde tijd wordt geschorst in afwachting van de uitkomst van nader onderzoek. Achtergrond van dit besluit is  het vermoeden dat werkneemster betrokken is bij onregelmatigheden met betrekking tot een van de kavelnummers op het recreatiedorp. Partijen zijn op 22 december 2022 met elkaar over de op non-actiefstelling in gesprek gegaan. Werkgeefster heeft werkneemster naar aanleiding van dit gesprek bericht dat er nog nader onderzoek moest worden verricht en dat met de door de bedrijfsarts in verband met de arbeidsongeschiktheid van werkneemster voorgestelde mediation zou worden gewacht tot de uitkomsten van het onderzoek bekend zouden zijn. Begin juni 2023 heeft werkgeefster een gespreksverslag van het gesprek van 22 december 2022 aan werkneemster toegestuurd. Werkneemster heeft begin augustus 2023 naar aanleiding van dit verslag werkgeefster per e-mail verzocht een nadere toelichting te geven. In deze e-mail is verzocht om de op non-actiefstelling op te heffen omdat zich - zoals in de e-mail wordt toegelicht - geen onregelmatigheden hebben voorgedaan. Werkneemster heeft werkgeefster op 21 december 2023 gedagvaard. Werkneemster vordert onder meer intrekking van de op non-actiefstelling en betaling van te weinig uitbetaald loon. Volgens werkgeefster is werkneemster niet-ontvankelijk in haar vorderingen omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt. Ook op inhoudelijke gronden moeten de vorderingen worden afgewezen.

Oordeel

Werkneemster is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontvankelijk in haar vorderingen. De vordering tot het opheffen van een op non-actiefstelling is naar haar aard spoedeisend. Dat werkgeefster inmiddels bij brief van 11 januari 2024, drie weken na ontvangst van de dagvaarding, de op non-actiefstelling heeft opgeheven, doet niet af aan de spoedeisendheid van de vordering van werkneemster op het moment van het instellen daarvan. Daarbij komt dat het instellen van deze vordering nodig is geweest om de op non-actiefstelling op te heffen. Ondanks diverse eerdere schriftelijke verzoeken is werkgeefster eerst drie weken na ontvangst van de dagvaarding overgegaan tot opheffing van de op non-actiefstelling. Werkneemster heeft daarom geen belang meer bij toewijzing van deze vordering. Deze vordering wordt dan ook afgewezen. De voorzieningenrechter stelt vast dat werkgeefster niet heeft bestreden dat in de brief van 14 december 2021 de toezegging valt te lezen dat tijdens de op non-actiefstelling het volledige, niet wegens ziekte gekorte salaris, zal worden doorbetaald. Werkgeefster heeft niet betwist dat het te weinig betaalde salaris uitkomt op een bedrag van € 4.868,84 bruto. De vordering tot te weinig betaald salaris wordt toegewezen. De overige vorderingen tot (a) afgifte kerstpakket, (b) afgifte brief van derde, (c) inzage in de onderzoeksactiviteiten, (d) afgifte schriftelijke verklaring en (e) verbod negatief uitlaten worden afgewezen.