Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 25 maart 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:2984
Feiten
Ursemmerhof B.V. (hierna: Ursemmerhof) exploiteert een vakantiepark. Per 1 februari 2023 zijn eiser 1 en eiser 2 (hierna: eisers) als vakantieparkbeheerders werkzaam. Tussen 4 april 2023 en 15 december 2023 zijn aan eisers voorschotbetalingen van in totaal € 33.000 gedaan. Ursemmerhof is door eisers gesommeerd betalingen tot 1 februari 2024 te voldoen, nu eisers aangeven op 1 februari 2023 voor de duur van een jaar in dienst te zijn getreden bij Ursemmerhof op basis van een arbeidsovereenkomst voor een gezamenlijk salaris van € 10.000 bruto voor het beheerdersechtpaar. Ondanks mondelinge toezeggingen het salaris te betalen zijn slechts voorschotten betaald. Eisers hebben hun werkzaamheden na 1 februari 2024 voortgezet zodat de arbeidsovereenkomst huns inziens is verlengd tot 1 februari 2025. De salarisvordering betreft € 129.600 bruto minus € 33.000, alsmede het loon van € 10.000 bruto per maand verhoogd met de vakantiebijslag vanaf 1 februari 2024 totdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Daarnaast vorderen eisers de wettelijke verhoging, de aanzegvergoeding en de wettelijke rente. Tot slot vorderen eisers een proceskostenveroordeling voor Ursemmerhof. Ursemmerhof betwist de vordering en verzoekt primair uitstel. Subsidiair voert zij aan dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Ursemmerhof voert aan dat voorschotbetalingen in plaats van salarisbetalingen zijn verricht en eisers niet in de salarisadministratie zijn opgenomen. Het vakantiepark is in transformatie en eisers zijn tijdelijk aangetrokken om nog spelende procedures af te wikkelen. Ursemmerhof heeft aan eisers aangegeven de samenwerking onder een opzegtermijn van twee maanden te willen beëindigen, tot januari 2023. Tot slot voert Ursemmerhof aan dat een verzoek voor een WHOA-procedure is ingediend waardoor de vordingen van eisers in de WHOA-procedure dienen te worden geverifieerd nu geen sprake is van vorderingen uit arbeidsovereenkomst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verzoek om aanhouding wordt afgewezen nu de dagvaarding tijdig is betekend en Ursemmerhof op zitting nog kan antwoorden. Ongeacht de aard van de overeenkomst zijn eisers voor hun levensonderhoud afhankelijk van de inkomsten waardoor het spoedeisend belang in kort geding gegeven is. De kantonrechter oordeelt dat in het kort geding niet kan worden vastgesteld wat de aard van de overeenkomst is, nu nader onderzoek en mogelijk nadere bewijslevering nodig is. Wel wordt een voorziening getroffen voor de inkomsten. Tussen partijen is onbetwist dat Ursemmerhof voorschotten op de verrichte werkzaamheden heeft betaald. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen in ieder geval een overeenkomst zijn aangegaan. Gedurende de eerste acht maanden van de overeenkomst is steeds een voorschot van € 4125 betaald. Voor de overige vier maanden gaat de kantonrechter ervan uit dat datzelfde bedrag moet worden betaald, met een totaal van € 16.500 exclusief de wettelijke rente. De overige vorderingen worden, gezien de niet vaststaande stelling over de arbeidsovereenkomst, afgewezen en partijen worden in de eigen proceskosten veroordeeld.