Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 18 april 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:2307
Feiten
Werknemer is op 1 oktober 2023 in dienst getreden bij werkgeefster voor de duur van zes maanden in de functie van commercieel medewerker binnendienst tegen een nettosalaris van € 2.250. Op 14 februari 2024 heeft werknemer - nadat hij was beroofd - namens werkgeefster aangifte gedaan van diefstal van € 8.000 onder bedreiging van geweld. Werkgeefster heeft het salaris vanaf de maand februari 2024 onbetaald gelaten. Werknemer vordert loondoorbetaling en afgifte loonstroken en de jaaropgave.
Oordeel
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt werknemer dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan werkgeefster gehouden is tot betaling van het overeengekomen loon. Werkgeefster verwijt werknemer dat hij een bedrag van € 8.000 kwijt is geraakt. Vlak voor de kerst heeft een klant op kantoor een bedrag van € 8.000 betaald. Werkgeefster heeft werknemer geïnstrueerd dit bedrag mee naar huis te nemen. Werkgeefster was op vakantie. Werknemer heeft het bedrag thuis bewaard en op of omstreeks 12 februari 2024 de opdracht gekregen om dat bedrag de andere dag over te dragen aan de heer [A] op kantoor van werkgeefster. Op weg van huis naar kantoor is werknemer overvallen en heeft hij onder bedreiging van een mes zijn telefoon en alle andere zaken moeten afgeven aan de overvallers. Werknemer heeft daarna geen salarisbetalingen meer ontvangen. Werkgeefster is ter zitting niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De vorderingen van werknemer komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering ten aanzien van het loon over februari 2024 ad € 2.250 netto, de vordering tot tijdige loonbetalingen, de vordering tot afgifte loonstroken en de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging zijn toegewezen, zij het dat de kantonrechter de wettelijke verhoging over de maand februari 2024 heeft gematigd tot 20%.