Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Accountants B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 februari 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:409
Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een streefregeling in plaats van een uitkeringsovereenkomst. Vordering tot vergoeding van pensioenschade afgewezen.

Feiten

Werknemer is op 1 september 1982 in dienst getreden van Accountants B.V. (hierna: Accountants) als assistent accountant. De arbeidsovereenkomst van werknemer is per 1 april met toestemming van het UWV opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Vanaf 1 januari 1984 gold voor werknemer een pensioenregeling. Uit de pensioencommunicatie met werknemer blijkt dat een kapitaalverzekering is aangegaan waarvan het verzekerde bedrag (samen met winstuitkeringen) voldoende werd geacht voor aankoop van het beoogde pensioen, met een voorbehoud voor de rentestand. Werknemer heeft onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat Accountants aansprakelijk is voor de door werknemer geleden pensioenschade ad € 331.412. De kantonrechter heeft de pensioenovereenkomst gekwalificeerd als een streefregeling in plaats van een gegarandeerd pensioen en daarmee de vordering afgewezen.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Volgens werknemer is geen sprake van een streefregeling, maar van een uitkeringsovereenkomst. Het hof stelt voorop dat uit de jurisprudentie volgt dat onder de (tot 1 januari 2007) geldende PSW grofweg twee categorieën pensioentoezeggingen bestonden: (i) de salaris/diensttijdregeling waarbij een pensioenuitkering van een bepaalde hoogte werd toegezegd en (ii) de beschikbare premieregelingen waarbij de werkgever uitsluitend de betaling van de premie van een bepaalde hoogte toezegt. Daarnaast bestonden er pensioentoezeggingen die een combinatie van beide categorieën vormden, zoals een streefregeling. Bij een streefregeling wordt een kapitaal opgebouwd waarmee vanaf de datum van pensionering pensioenuitkeringen bij de pensioenverzekeraar kunnen worden ingekocht, waarbij wordt gestreefd naar een bepaald niveau. Dat streefdoel wordt vertaald naar een benodigd kapitaal of benodigde premie. De hoogte van dat kapitaal is veelal gegarandeerd, doorgaans op basis van een kapitaalverzekering. De daadwerkelijke hoogte van de pensioenuitkeringen die met dat kapitaal kunnen worden ingekocht is afhankelijk van, onder meer, de op het moment van inkoop geldende rentestand, het lijfrentetarief, en de levensverwachting. Het risico dat het streefdoel niet wordt gehaald (bijvoorbeeld omdat de rente is gedaald) ligt bij de werknemer. Onder het regime van de PSW was niet altijd duidelijk hoe een streefregeling moest worden gekwalificeerd. Deze onduidelijkheid is mede redengevend geweest voor de invoering van het voorschrift in artikel 10 Pensioenwet dat een pensioenovereenkomst steeds moet kunnen worden gekwalificeerd als uitkeringsovereenkomst, premieovereenkomst of kapitaalovereenkomst. Onder een uitkeringsovereenkomst vallen doorgaans regelingen uit categorie 1, onder de premieovereenkomst regelingen uit categorie 2 en onder de kapitaalovereenkomst (hybride) regelingen. Binnen deze categorisering van artikel 10 Pensioenwet worden streefregelingen in de feitenrechtspraak veelal als kapitaalovereenkomsten gezien omdat alleen een bedrag aan kapitaal wordt gegarandeerd en niet een bepaald niveau van uitkeringen. De vraag om wat voor overeenkomst het gaat, moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Fiscale kwalificaties zijn hierbij niet doorslaggevend, maar wat partijen hebben bedoeld af te spreken. Uit de stukken blijkt dat partijen ervan uitgingen dat de pensioenuitkeringen hoger of lager konden zijn dan beoogd en dat de pensioenaanspraak dan gelijk was aan die hogere of lagere bedragen. Het hof verenigt zich daarom met het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een streefregeling en maakt dat tot het zijne. De grieven van werknemer slagen niet.