Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 16 april 2024
ECLI:NL:GHARL:2024:2745
Feiten
Diamond Facility B.V. is in februari 2016 opgericht en opgeheven op 20 november 2020. Op 27 maart 2019 heeft Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: het Pensioenfonds) drie facturen voor achterstallige pensioenpremies over de jaren 2016, 2017 en 2018 verzonden aan Diamond Facility. Het betreft hier ambtshalve vastgestelde nota’s omdat Diamond Facility ondanks twee herinneringen geen loon- en premiegegevens over de vermelde jaren heeft aangeleverd. Deze nota’s zijn onbetaald gebleven. Het Pensioenfonds heeft de voormalig bestuurder van Diamond Facility persoonlijk aangesproken voor de betaling van de pensioenpremies. De vordering bedraagt met rente en kosten volgens het Pensioenfonds in totaal € 99.077,58. De kantonrechter heeft in eerste aanleg een hoofdsom van € 70.995,14 toewijsbaar geacht. In hoger beroep vordert de bestuurder dat het eindvonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat de premieplicht wordt vastgesteld op € 28.605,37 in hoofdsom. De grieven van de bestuurder houden in dat de kantonrechter hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld (nader) bewijs te leveren van zijn stelling dat er voorafgaand aan 1 juli 2017 geen medewerkers in dienst waren bij Diamond Facility. Volgens de bestuurder heeft het Pensioenfonds geen vordering op hem over 2016 en de eerste helft van 2017, zodat de veroordelingen geen stand kunnen houden. De bestuurder heeft getuigenbewijs aangeboden van zijn hiervoor vermelde stelling.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Het geschil in hoger beroep spitst zich aldus toe op de vraag of Diamond Facility medewerkers in dienst had in 2016 en in de eerste helft van 2017. De stelplicht en bewijslast hiervan rusten op het Pensioenfonds. Bij de vaststelling van de ambtshalve nota’s over het tijdvak waar het hier over gaat, is het Pensioenfonds uitgegaan van informatie van het UWV dat Diamond Facility in 2017 voor 23 personen sociale lasten heeft afgedragen. Dit heeft het Pensioenfonds naar het oordeel van het hof ook mogen doen. Vervolgens is het de vraag of de bestuurder dit voldoende gemotiveerd heeft betwist. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de bestuurder in hoger beroep onder meer een verklaring van zijn boekhouder ingebracht. De bestuurder heeft hiermee naar het oordeel van het hof nog geen begin van bewijs geleverd voor zijn stelling dat er voorafgaand aan 1 juli 2017 geen medewerkers in dienst waren bij Diamond Facility. Weliswaar zegt de boekhouder dat, maar diens verklaring is erg summier en niet met stukken onderbouwd, waar dit zeker van een boekhouder verwacht zou mogen worden. Al met al heeft de bestuurder onvoldoende concrete gegevens aangevoerd om de conclusie te wettigen dat hij aan zijn (verzwaarde) motiveringsplicht heeft voldaan. Voor zover hij in bewijsnood is komen te verkeren door de gestelde vernietiging van de administratie van Diamond Facility, moet dat voor zijn rekening en risico worden gelaten. Het hof laat de bestuurder dan ook niet toe tot het leveren van tegenbewijs. Bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter volgt.