Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 18 januari 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:2335
Feiten
Werkgever drijft een lunchroom. Werkneemster is op 12 oktober 2021 in dienst getreden bij werkgever in de functie van medewerker bediening. Op 17 juli 2023 hebben werkneemster en werkgever beiden in de lunchroom gewerkt. Werkgever heeft, vanwege verdenkingen, aan het einde van de dag camerabeelden bekeken en daaruit de conclusie getrokken dat werkneemster € 50 uit de werkportemonnee had ontvreemd. Op 18 juli 2023 heeft werkgever werkneemster hierover aangesproken en haar de camerabeelden getoond. Werkgever heeft werkneemster daarop op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft werkgever vervolgens € 50 betaald. Ook heeft zij een door werkgever opgestelde ontslagbrief ondertekend, waarvan zij geen kopie heeft ontvangen. Later die dag is werkneemster vergezeld van haar vriend en schoonvader naar werkgever gegaan, waarbij de schoonvader van werkneemster werkgever zowel verbaal als fysiek heeft belaagd (hiervan zijn camerabeelden). Werkgever heeft vervolgens op aandringen de eerder door werkneemster afgegeven € 50 teruggegeven aan werkneemster en daarna hebben werkneemster, haar vriend en haar schoonvader onder begeleiding van de politie de lunchroom verlaten. Werkgever heeft op 3 oktober 2023 aangifte van diefstal van € 50 door werkneemster gedaan alsmede van mishandeling, bedreiging en vernieling door de schoonvader van werkneemster. Werkneemster berust in het einde van het dienstverband, maar verzoekt ten laste van werkgever een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op overgelegde camerabeelden is zichtbaar dat werkneemster een biljet van € 50 uit haar werkportemonnee pakt en dat zij vervolgens bukt. Werkneemster bevindt zich dan – bezien vanuit de positie van de camera – achter de toonbank, waarin, op de grond, de afroomkluis staat en waar op de plank daarboven tassen van werknemers staan. Op de camerabeelden is niet zichtbaar wat zich achter de kast afspeelt en evenmin waar werkneemster het biljet laat: in de kluis, in haar eigen tas of in haar portemonnee. Als gevolg daarvan kan de kantonrechter niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de diefstal daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De gestelde dringende reden is daarmee niet voldoende komen vast te staan. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verleend. Gelet op alle feiten en omstandigheden acht de kantonrechter het toekennen van een billijke vergoeding in dit geval niet gerechtvaardigd, zodat deze wordt gematigd tot nihil. Werkgever heeft in het feit dat op de camerabeelden zichtbaar is dat werkneemster een bankbiljet uit de bedrijfsportemonnee pakt en dit opvouwt, terwijl bankbiljetten juist in ongevouwen toestand de afroomkluis in plegen te gaan, terecht een (vergaande) verdenking van diefstal kunnen hebben. Deze verdenking is versterkt doordat werkneemster bereid was € 50 te pinnen en aan werkgever te geven. Verder acht de kantonrechter van belang dat werkneemster samen met haar vriend en schoonvader diezelfde dag nog op volstrekt ongepaste wijze verhaal is gaan halen bij werkgever. De schoonvader heeft met zijn agressieve gedrag zonder meer laakbaar gehandeld en de grens van het betamelijke overschreden. Niet is gebleken dat werkneemster niet eenvoudigweg haar schoonvader en vriend had kunnen vragen een gesprek te voeren op een passend moment, dan wel dat zij het initiatief had kunnen nemen de lunchroom te verlaten. Werkgever hoeft dan ook geen billijke vergoeding te betalen. Wel is de transitievergoeding verschuldigd; deze wordt toegewezen zoals verzocht.