Rechtspraak
Feiten
Werknemer en werkgever zijn op 31 juli 2022 een uitzendovereenkomst fase 1/2 aangegaan, op basis waarvan werknemer de functie van chauffeur uitvoert. Op de uitzendovereenkomst is de NBBU-cao van toepassing. De uitzendovereenkomst duurt in beginsel 52 weken en wanneer deze periode is voltooid en de uitzendovereenkomst wordt voortgezet of binnen zes maanden een nieuwe uitzendovereenkomst wordt aangegaan, treedt fase 3 in werking. Na 52 weken heeft werknemer zijn werkzaamheden voortgezet. Op 6 oktober 2023 heeft de inlener aan werknemer laten weten dat zij geen werk meer voor hem had. Tijdens een gesprek op 30 oktober 2023 is aan werknemer vervangend werk aangeboden, dat bestond uit chauffeurswerkzaamheden voor dezelfde inlener maar ditmaal inclusief laden en lossen, waarmee werknemer niet akkoord is gegaan. Deze werkzaamheden zijn volgens werknemer niet passend vanwege zijn rugklachten. Werkgever heeft vervolgens de loonbetaling aan werknemer stopgezet en werknemer heeft na 6 oktober 2023 geen werkzaamheden meer verricht. Werknemer eist in kort geding primair dat werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en subsidiair wedertewerkstelling.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat de eerste uitzendovereenkomst (fase 1/2) is aangegaan voor 52 gewerkte weken. Omdat werknemer na afloop van de eerste uitzendovereenkomst - zonder tegenspraak van werkgever - is blijven doorwerken, moet de uitzendovereenkomst met werknemer op grond van artikel 7:668 lid 4 sub b BW worden geacht voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar, te zijn voortgezet. Dat leidt ertoe dat, anders dan werkgever stelt, de tweede uitzendovereenkomst niet op 3 maart 2024 is geëindigd, maar nog altijd doorloopt, tot in elk geval 31 juli 2024.
Werknemer stelt dat bij aanvang van het dienstverband is afgesproken dat hij enkel chauffeurswerkzaamheden zou uitvoeren, zonder laden en lossen (vanwege rugklachten). Ter zitting heeft werknemer echter erkend dat dit enkel met de inlener is besproken. Welke werkzaamheden werknemer uitvoert in het kader van de uitzendovereenkomst moet echter overeen worden gekomen met de formele werknemer, niet met de inlener. Tevens heeft werknemer niet met een medische verklaring onderbouwd dat hij last heeft van rugklachten, die hem bij fysieke werkzaamheden belemmeren. Werknemer heeft tevens erkend dat hij bij een van zijn vorige werkgevers, Post NL, wél laad- en loswerkzaamheden uitvoerde. Uit de door werknemer overgelegde WhatsApp-gesprekken van 26 januari 2023 tussen hem en werkgever kan bovendien worden afgeleid dat hij eind januari 2023 nog laad- en loswerkzaamheden heeft verricht. Derhalve is niet vast komen te staan dat werknemer met werkgever heeft bedongen dat hij vanwege rugklachten geen laad- en loswerkzaamheden zou verrichten. Op werkgever rustte, op het moment dat de oorspronkelijke werkzaamheden bij inlener werden beëindigd, de verplichting gedurende de looptijd van de uitzendovereenkomst passend en vervangend werk te zoeken en aan te bieden (artikel 23 lid 1 NBBU-cao). Hieraan heeft werkgever voldaan, zodat werknemer de vervangende aan hem aangeboden werkzaamheden ten onrechte heeft geweigerd. Op grond van artikel 23 lid 5 onder a van de NBBU-cao voor uitzendkrachten vervalt de verplichting tot het zoeken en aanbieden van passend en vervangend werk én de loondoorbetalingsverplichting, als de uitzendkracht een aanbod tot passende en vervangende uitzendarbeid weigert. De eis tot loondoorbetaling wordt derhalve afgewezen. Omdat werknemer ten onrechte weigert de aan hem aangeboden vervangende werkzaamheden te verrichten, bestaat tevens geen aanleiding werkgever tot wedertewerkstelling te veroordelen.