Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 februari 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:1136
Feiten
Werknemer is van 15 januari 1980 tot 1 oktober 2017 in dienst geweest van ABN AMRO tegen een salaris dat laatstelijk € 8.074,05 bruto bedroeg. ABN AMRO heeft werknemer als gevolg van een reorganisatie boventallig verklaard en hem geen andere functie aangeboden. Op (de beëindiging van) de arbeidsovereenkomst is onder meer het als cao aangemelde Sociaal Plan 2017-2020 van toepassing. Het Sociaal Plan 2017-2020 bevat een arbitrageclausule over de toepassing ervan, inclusief geschillen over een beëindigingsovereenkomst. Werknemer heeft niet gekozen voor de mogelijkheid om, tegenover een lagere (65%) vertrekpremie, geplaatst te worden in de Mobiliteitsorganisatie van ABN AMRO. Voor de vertrekpremie gold voor werknemer, na aftopping op grond van de zogenaamde ‘fictieve pensioendatum’ van werknemer, bij vrijwillig vertrek een bodem van 12 maanden salaris. Op 29 september 2017 is tussen partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten. Werknemer heeft vanaf 1 oktober 2017 gedurende 29 maanden een WW-uitkering ontvangen. Werknemer heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking de bepaling in het Sociaal Plan 2017-2020 inzake de aftopping van de vertrekregeling nietig te verklaren of te vernietigen wegens verboden leeftijdsdiscriminatie en te bepalen dat hij recht heeft op een aanvullende vertrekpremie van € 139.016. Deze vordering is toegewezen. ABN AMRO heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Partijen zijn het erover eens dat de aftoppingsregeling op het terrein van arbeid een (direct of indirect) onderscheid maakt naar leeftijd en dus in beginsel strijdig is met artikel 3 lid 1 WGBLA. De aftoppingsmaatregel dient bezien te worden in de gehele context van het Sociaal Plan 2017-2020. Het hof beoordeelt in dat licht de korting (voor degenen wier ‘fictieve pensioendatum’ daar aanleiding voor gaf) op de belangrijkste ontslagvergoeding van 56% als ‘fors’ of zelfs ‘zeer hoog’, maar daarmee nog niet als ‘excessief’, zeker niet in het licht van de voordien door ABN AMRO verbeterde pensioenaanspraken van de door de korting geraakte werknemers, namelijk diegenen voor wie de als uitgangspunt voor de toepassing gehanteerde maatstaf (namelijk de ‘fictieve pensioendatum’) nabij of zelfs al gepasseerd was. In dit verband is tevens van belang dat de in het Sociaal Plan 2017-2020 opgenomen aftoppingsregeling een correctie kende, namelijk een ‘bodembedrag’, dat in het geval van werknemer de ‘garantie’ van een jaarsalaris als vertrekpremie opleverde (bij vrijwillig vertrek). Daarmee is het mogelijk wel excessieve karakter van de eerdere regeling (het volledig vervallen van de vertrekpremie) ongedaan gemaakt, als gezegd, als resultaat van de vrije onderhandelingen van ABN AMRO met de sociale partners, vastgelegd in de vorm van een cao. Voldoende is dat door rekening te houden bij de toepassing van de aftoppingsmaatregel met de fictieve pensioendatum, de middelen eerlijker kunnen worden verdeeld tussen degenen wier fictieve pensioendatum nabij of gepasseerd (zoals werknemer) is en degenen voor wie de pensioendatum na ontslag nog ver weg in de tijd ligt. Daarmee kan ook worden geoordeeld dat het middel niet kennelijk ongeschikt is om het doel - eerlijke verdeling van de beschikbare middelen - te bereiken. Resumerend komt het hof tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de toepassing van de aftoppingsregel niet passend of noodzakelijk was voor het beoogde doel (de eerlijke verdeling van middelen ten behoeve van alle vertrekkende werknemers), omdat daarmee niet op excessieve wijze inbreuk is gemaakt op de rechten van werknemers in de positie van werknemer, noch op de rechten van werknemer zelf. Ook is niet komen vast te staan dat het middel kennelijk ongeschikt was om het beoogde doel te bereiken. De grieven van ABN AMRO slagen dan ook.