Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 april 1973 in dienst getreden bij werkgever als vaste landarbeider. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat werknemer, als enige arbeider in dienst van werkgever, een woning op de hoeve in gebruik kreeg. Het dienstverband is op 1 maart 1978 geëindigd. Inzet van het onderhavige kort geding is of werknemer de woning na het eindigen van de arbeidsovereenkomst als ‘eigenlijke dienstwoning’ behoorde te ontruimen, dan wel of hij zich met vrucht op huurbescherming heeft beroepen. Het hof heeft geoordeeld dat het bewonen van de woning door werknemer bijdroeg, althans kon bijdragen, aan een goede taakvervulling door werknemer uit hoofde van zijn inmiddels beëindigde dienstverband. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst bracht volgens het hof om die reden met zich dat daarmee het recht van bewoning van het huis in kwestie verviel. Werknemer heeft beroep in cassatie ingesteld.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het hof heeft geoordeeld dat het bewonen van de litigieuze woning door werknemer bijdroeg, althans kon bijdragen, aan een goede taakvervulling door werknemer uit hoofde van zijn inmiddels geëindigde dienstverband. Dit oordeel heeft het hof gegrond op de overweging dat door het feit dat werknemer als enige arbeider op de hoeve woonde, bereikt werd dat hij onmiddellijk beschikbaar was voor toezicht en/of plotseling noodzakelijk blijkende verrichtingen. Aldus is dit oordeel naar het oordeel van de Hoge Raad noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Tot zijn oordeel dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met zich bracht dat daarmede het recht van bewoning van het huis in kwestie verviel, is het hof gekomen door onder meer vast te stellen dat het huis aan werknemer ter bewoning is gegeven met het oog op de aard van de door hem te verrichten arbeid en dat het bewonen van die woning behoorde tot de voor hem uit zijn dienstverband voortvloeiende verplichtingen. Aldus heeft het hof tot uiting gebracht dat in de overeenkomst tussen partijen, voor zover zij op de voormelde woning betrekking had, niet de kenmerken van een huurovereenkomst aanwezig waren. Het hof heeft hierbij niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet door tot zijn oordeel te komen zonder te hebben vastgesteld, zoals het middel verlangt, dat de bewoning voor een goede taakvervulling essentieel was. Het beroep wordt verworpen.