Naar boven ↑

Rechtspraak

Veterinary Enterprises Europe B.V./werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 21 mei 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:1712
Loonvordering. Beroep werkgever op verrekening gepasseerd. Bestaan en mogelijke omvang van tegenvorderingen zijn niet eenvoudig vast te stellen. Niet verrichten van arbeid komt niet voor rekening van werknemer.

Feiten

Werknemer is op 1 oktober 2018 in dienst getreden van Veterinary Enterprises Europe B.V. (hierna: VEE) en heeft op 4 oktober 2021 zijn arbeidsovereenkomst met VEE met onmiddellijke ingang opgezegd. Volgens werknemer is VEE tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende loonbetalingsverplichting. Werknemer heeft in eerste aanleg daarom gevorderd VEE te veroordelen tot (uit)betaling van loon over de maanden augustus en september 2021 (€ 11.120 bruto), vaste toeslag voor de bijtelling (€ 1.707,24), vakantiegeld over de maanden juni tot en met september 2021 (€ 1.779,20 bruto), dertiende maand (€ 4.170 bruto) en 13,75 niet genoten vakantiedagen (€ 3.586), te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging. VEE voert als verweer dat de arbeidsovereenkomst op zijn laatst per 31 juli 2021 in overleg en met wederzijds (mondeling) akkoord is beëindigd en dat werknemer vanaf 1 augustus 2021, of zelfs eerder, geen werkzaamheden meer heeft uitgevoerd voor VEE. Tot slot betwist VEE de door werknemer genoemde hoeveelheid niet genoten vakantiedagen. Alle vorderingen van werknemer zijn door de kantonrechter toegewezen, zij het dat de wettelijke verhoging is gematigd tot 10% (zie AR 2023-0310). VEE heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Beroep op verrekening

VEE stelt in hoger beroep dat de vorderingen van werknemer door verrekening met de vorderingen die VEE op werknemer heeft, teniet zijn gegaan. Die tegenvorderingen zien volgens VEE op door werknemer verschuldigde boetes nu hij bedingen uit de arbeidsovereenkomst (concurrentiebeding, nevenwerkzaamhedenbeding, geheimhoudingsbeding en relatiebeding) volgens VEE welbewust en stelselmatig heeft overtreden. Daarnaast stelt VEE dat werknemer drie facturen heeft vervalst met als gevolg dat zij veel schade heeft geleden; zij wijst op een naheffingsaanslag van € 124.959 vermeerderd met een boete van 25%. Het hof passeert het beroep op verrekening met toepassing van artikel 6:136 BW. Werknemer heeft het bestaan van de tegenvorderingen gemotiveerd betwist terwijl VEE zelf heeft aangegeven dat de hoogte van de vordering uit hoofde van de gestelde verschuldigde boetes niet precies bepaalbaar is, dat er nog onderzoeken lopen naar een groot aantal onregelmatigheden, dat er een aparte procedure jegens werknemer zal worden gevoerd en zij heeft een bewijsaanbod gedaan waaronder het horen van getuigen. Het bestaan en de mogelijke omvang van de tegenvorderingen zijn niet eenvoudig vast te stellen. De grief slaagt niet en het hof passeert dan ook het gedane bewijsaanbod.

Niet verrichten van arbeid komt niet voor rekening van werknemer

VEE betoogt voorts dat het niet meer kunnen verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van werknemer moet blijven nu als gevolg van zijn handelen – verwezen wordt naar het vervalsen van facturen en de ontvreemding van diergeneesmiddelen – VEE zich genoodzaakt zag zijn bevoegdheden in te trekken en hem grotendeels te ontheffen van zijn werkzaamheden. Werknemer betwist zich aan onregelmatigheden zoals door VEE gesteld, te hebben schuldig gemaakt. VEE beperkt zich naar het oordeel van het hof in deze grief tot een herhaling van haar stelling in eerste aanleg. Zij geeft niet aan waarom de overwegingen van de kantonrechter op dit punt onjuist zouden zijn. Zij laat ook na haar verwijten te onderbouwen. Daar komt bij dat VEE niet heeft betwist dat werknemer bereid was zijn werkzaamheden te blijven verrichten maar daartoe grotendeels niet kon overgaan omdat VEE hem dat belette. Deze grief slaagt naar het oordeel van het hof dan ook niet. Het niet verrichten van arbeid komt in dit geval niet voor rekening van werknemer.

Het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd.