Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11 juni 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:1907
Feiten
Werknemer heeft op 12 oktober 2018 een arbeidsovereenkomst gesloten met Olympia, een uitzendbureau. In de arbeidsovereenkomst is een studiekostenbeding opgenomen. Werknemer is de opleiding vrachtwagenchauffeur CE (hierna: opleiding) in november 2018 aangevangen en heeft deze in juni 2019 succesvol afgerond. De rijschool heeft voor de opleiding aan Olympia Nederland B.V. een totaalbedrag van € 7.959.96 aan opleidingskosten voor werknemer gefactureerd. Krachtens de in november 2019 gesloten uitzendovereenkomst “Arbeidsovereenkomst Fase A” heeft Olympia werknemer als chauffeur groot rijbewijs ter beschikking gesteld van X. Als zodanig diende werknemer transporten voor (de bevoorrading van) Jumbosupermarkten te verzorgen. Werknemer heeft 96 uur aan werkzaamheden voor Olympia verricht. Per e-mail van 30 maart 2020 heeft Olympia werknemer verzocht om binnen veertien dagen tot betaling van € 7.673,47 over te gaan. Werknemer is niet tot betaling overgegaan. Olympia heeft de studiekosten gevorderd van werknemer. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Olympia legt aan de toegewezen vordering tot betaling van € 7.673,47 aan studiekosten ten grondslag dat werknemer tekort is geschoten in zijn terugbetalingsverplichting door de gemaakte studiekosten niet terug te betalen. Olympia baseert deze vordering op artikel 4.2 Skr en betoogt -in de kern- dat werknemer na afronding van de opleiding bij X is geplaatst en X de inleenopdracht wegens verwijtbaar gedrag van werknemer heeft ingetrokken, dat werknemer vervolgens aangeboden redelijke passende arbeid heeft geweigerd en dat werknemer zich niet meer voor het uitvoeren van werkzaamheden via Olympia beschikbaar heeft gesteld. Het hof overweegt dat werknemer op grond van artikel 4.2 Skr de opleidingskosten aan Olympia moet (terug)betalen als X de inleenopdracht wegens verwijtbaar gedrag van werknemer heeft ingetrokken, werknemer de door Olympia aangeboden redelijke passende arbeid heeft geweigerd en/of werknemer zich niet meer voor het uitvoeren van werkzaamheden via Olympia beschikbaar heeft gesteld. Werknemer betwist dat de inleenopdracht is geëindigd door verwijtbaar handelen aan zijn zijde. Gelet op het door Olympia bij memorie van antwoord gedane bewijsaanbod en gezien het feit dat de toewijzing van het gevorderde staat of valt met een antwoord op de vraag of X de inleenopdracht heeft ingetrokken vanwege verwijtbaar gedrag van werknemer, zal het hof Olympia toelaten tot bewijs van het feit dat X medio december 2019 de inleenovereenkomst met betrekking tot werknemer heeft ingetrokken vanwege het feit dat hij zich ondanks een eerdere waarschuwing door Olympia opnieuw te laat bij X heeft afgemeld. De vordering van Olympia is alleen toewijsbaar als zij slaagt in deze bewijsopdracht.