Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 13 mei 2024
ECLI:NL:GHARL:2024:3273
Feiten
Werknemer treedt op 13 augustus 2018 in dienst bij Mur. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek van toepassing. Op 13 november 2020 krijgt werknemer tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden een rol tape tegen zijn hoofd. Hij gaat met de collega die de rol gegooid had naar de huisarts. De huisarts hecht de wond met een hechtpleister. Op 17 november 2020 vermeldt Mur een ziekmelding in haar systeem. Werknemer kan op 16 december 2020 bij de bedrijfsarts terecht. Op 4 maart 2021 bezoekt werknemer weer de bedrijfsarts. Deze oordeelt dat werknemer medisch gezien niet in staat is tot structurele werkhervatting en dat hij beperkt belastbaar is. Naast ziekte is er sprake van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts adviseert om eerst een oplossingsgericht gesprek te voeren om knelpunten die de re-integratie belemmeren op te lossen. Op 26 maart 2021 oordeelt het UWV dat de re-integratie-inspanningen van Mur niet voldoende zijn. Na discussie over wie dat zou moeten begeleiden vinden eind april en begin mei 2021 twee mediationgesprekken plaats. Een derde mediationsessie komt niet van de grond. In november 2021 start een arbeidsdeskundig onderzoek en wordt een multidisciplinair revalidatietraject bij DBC geadviseerd. In december 2021 heeft werknemer daar een intake. Op 6 mei 2022 oordeelt de bedrijfsarts dat terugkeer naar het eigen werk bij Mur niet realistisch en haalbaar is en adviseert hij inzet van een tweedespoortraject. Dat traject wordt op 20 mei 2022 ingezet bij Optios. Op 8 juni 2022 vindt het eerste intakegesprek plaats. Eind juni 2022 beklaagt de advocaat van werknemer zich zowel bij Optios als bij (de advocaat van) Mur over de handelwijze van de behandelaar bij Optios en schending van de gemaakte afspraken. Hierop vindt mailwisseling plaats tussen de betrokken partijen en op 10 augustus 2022 stelt de advocaat van Mur voor dat werknemer zelf een bureau uitkiest voor het tweedespoortraject. Hierna komt het tweedespoortraject op gang en vindt werknemer een werkervaringsplaats. In november 2022 krijgt werknemer een WIA-uitkering toegekend. Werknemer vordert een billijke vergoeding van €930.000. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Mur heeft volgens het hof ernstig verwijtbaar gehandeld. Zij heeft werknemer na een hem op het werk overkomen ongeval zonder (medisch) deskundig oordeel laten doorwerken, zij heeft te laat de arbodienst ingeschakeld en zij heeft hierna meermalen gehandeld in strijd met het advies van de arbodienst door werknemer niet vrij te stellen van werk, maar hem te zeggen dat hij zo veel mogelijk zou worden ontzien en dat er slechts in nood een beroep hem gedaan zou worden, terwijl het oordeel van de verpleegkundige was dat hij niet inzetbaar was voor werk. Hieruit blijkt al dat Mur de arbeidsongeschiktheid van werknemer niet voldoende serieus heeft genomen. Het wantrouwen dat Mur over de arbeidsongeschiktheid had en haar handelwijze over de teruggave van de bedrijfsmiddelen heeft weer geleid tot wantrouwen aan de zijde van werknemer, waardoor de arbeidsverhoudingen en het perspectief op re-integratie steeds verder zijn verslechterd en re-integratie, ook in het tweede spoor, niet van de grond is gekomen. Uit de medische rapportage van het UWV leidt het hof af dat de klachten die werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid had, verband hielden met het ongeval. Niet gebleken is dat werknemer voorafgaand aan het ongeval in 2020 te maken had met gezondheidsproblemen die hebben geleid tot verhoogd ziekteverzuim. Het hof vindt dat er ook voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de ernstig verwijtbare wijze waarop Mur zich na het ongeval heeft gedragen, een factor is geweest die zonder meer belemmerend is geweest voor het herstel van werknemer. Volgens het hof is het vereiste causaal verband dan ook aanwezig. Het hof kent aan werknemer dan ook een billijke vergoeding toe ter hoogte van € 60.000 bruto.