Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 19 juni 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:4105
Werkgeefster heeft de pensioenovereenkomst met werknemer eenzijdig per 1 januari 2016 gewijzigd. Werknemer heeft hierover pas in 2023 geklaagd. Dit is te laat en daarom slaagt het beroep van werkgeefster op schending van de klachtplicht. De vorderingen van werknemer die onder meer strekken tot schadevergoeding worden afgewezen.

Feiten

Werknemer is op 1 augustus 2002 in dienst getreden van  de rechtsvoorganger van werkgeefster. De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden per 1 januari 2024 beëindigd. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat werknemer deelneemt aan de collectieve pensioenregeling. Werkgeefster heeft de met haar werknemers gesloten pensioenovereenkomsten tot 1 januari 2016 ter uitvoering ondergebracht bij een pensioenfonds (een stichting). Het pensioenfonds heeft op zijn beurt de pensioenregeling herverzekerd bij Aegon. Het pensioenreglement bevat een eenzijdig wijzigingsbeding. Aegon heeft in 2014 aangegeven dat zij eind 2015 wilde stoppen met het herverzekeren van de pensioenregeling van werkgeefster. De uitvoeringsovereenkomst tussen werkgeefster en het pensioenfonds liep eind 2015 ook af. Werkgeefster heeft zich per 1 januari 2016 afgescheiden van het pensioenfonds en heeft daarbij met toepassing van het eenzijdig wijzigingsbeding de pensioenovereenkomsten gewijzigd die zij met haar werknemers had. De pensioenregeling had eerst het karakter van een uitkeringsovereenkomst en dat is met ingang van 1 januari 2016 een premieovereenkomst geworden. Omdat werkgeefster wegens haar beperkte omvang geen eigen ondernemingsraad had, heeft zij voor de wijziging van de pensioenregeling toestemming gevraagd aan de OR van [bedrijf 3] B.V., die tot dezelfde groep behoort als werkgeefster. Werknemer vordert voor recht te verklaren dat werkgeefster de pensioenovereenkomst niet rechtsgeldig eenzijdig heeft gewijzigd als gevolg waarvan werknemer schade heeft geleden. Werkgeefster stelt in de eerste plaats dat werknemer de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft geschonden omdat hij er pas bij brief van 6 juni 2023 - en daarmee niet binnen bekwame tijd - over heeft geklaagd dat werkgeefster haar verbintenissen uit de pensioenovereenkomst niet goed zou zijn nagekomen.

Oordeel

De klachtplicht is van toepassing

Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De bepaling strekt ertoe de schuldenaar die een prestatie heeft verricht, te beschermen omdat hij erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dit eveneens met spoed aan de schuldenaar mededeelt. Gelet op deze strekking, alsmede op de bewoordingen waarin de bepaling is gesteld – nu daarin wordt gesproken over “een gebrek in de prestatie” –, ziet artikel 6:89 BW niet op gevallen waarin is nagelaten de overeengekomen prestatie te verrichten.

Werknemer heeft pas in 2023 en dus niet tijdig geklaagd

De kantonrechter stelt vast dat werknemer pas bij brief van zijn gemachtigde van 6 juni 2023 er voor het eerst bij werkgeefster over heeft geklaagd dat per 1 januari 2016 geen rechtsgeldige wijziging van de pensioenovereenkomst heeft plaatsgevonden. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer, door pas in 2023 te klagen over de wijziging van de pensioenovereenkomst, niet binnen bekwame tijd nadat hij van de wijziging van de pensioenovereenkomst op de hoogte raakte of had kunnen raken, bij werkgeefster heeft geprotesteerd. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat werknemer in 2016 wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat zijn pensioenregeling was gewijzigd van een uitkeringsovereenkomst naar een premieovereenkomst en wat de kenmerken van een premieovereenkomst zijn. Werknemer stelt dat hij niet eerder kón klagen en heeft in dit verband toegelicht dat hij ten tijde van de invoering van de nieuwe pensioenregeling andere zaken aan zijn hoofd had omdat hij aan het revalideren was van een zwaar auto-ongeluk dat hij in augustus 2016 had gehad. De kantonrechter merkt hierover op dat werknemer onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij in de periode tussen de invoering van de nieuwe pensioenregeling en het auto-ongeluk in augustus 2016 dan wel na zijn herstel in 2017 niet in staat was over de gewijzigde pensioenregeling te klagen. De kantonrechter volgt werknemer niet in zijn standpunt dat hij nadere informatie van werkgeefster over de pensioenregeling nodig had om goed te kunnen klagen. Het kenmerk van een premieovereenkomst is immers dat pas rond de pensioendatum duidelijk wordt hoe hoog de pensioenuitkering wordt. Het beroep op de klachtplicht slaagt. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.