Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 24 april 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:1942
Werkgever is terecht overgegaan tot verrekening van te veel genoten vakantie-uren. Geen strijd met artikel 31 Handvest Grondrechten van de Europese Unie.

Feiten

Werkneemster is van 1 augustus 2016 tot 1 september 2022 bij de stichting Meerderweert in dienst geweest. Op de arbeidsverhouding was de Cao PO van toepassing. Bij brief van 27 juni 2022 dient werkneemster haar ontslag in per 1 september 2022. Bij brief van 29 juni 2022 bevestigt Meerderweert de uitdiensttreding per 1 september 2022. Bij de eindafrekening heeft Meerderweert een verrekening van € 3.197,40 toegepast ter zake van te veel genoten vakantieverlof. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat artikel 8.1 lid 1 sub b van de Cao PO nietig is vanwege strijd met artikel 32 lid 2 van het Handvest Grondrechten van de Europese Unie (bedoeld zal zijn artikel 31 lid 2) en/of artikel 7:628 BW, 7:638 BW en/of 7:639 BW en subsidiair in strijd met goed werkgeverschap en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Meerderweert voert verweer.

Oordeel

De vraag die voorligt, is of Meerderweert terecht over is gegaan tot verrekening van te veel genoten vakantie-uren. Partijen verschillen niet van mening over de uitleg van de cao. Uit de cao PO volgt dat een werknemer die tijdens een heel jaar van 1 oktober tot 1 oktober van het jaar erop in dienst is, alle schoolvakanties in het schooljaar dat liep van 1 augustus tot 1 augustus van het jaar erop verlof heeft. Een werknemer die niet tijdens het gehele (verlofopbouw)jaar van 1 oktober tot 1 oktober in dienst is heeft aanspraak heeft op een evenredig vakantieverlof. Werkneemster is per 1 september 2022 uit dienst gegaan, zodat zij over het jaar oktober 2021 tot oktober 2022 geen volledige opbouw in vakantiedagen heeft gehad maar wel de gehele schoolvakanties heeft opgenomen. Uit vaste rechtspraak volgt dat - mede gelet op artikel 6:203 BW - daarmee een vordering ontstaat bij de werkgever en daarmee in beginsel een verrekeningsbevoegdheid. Uit het vorenstaande volgt dat er geen sprake is van strijdigheid met de Nederlandse vakantiesystematiek of de artikelen 7:628, 7:638 of 7:639 BW. Voor zover werkneemster stelt dat verrekening strijdig is met het goed werkgeverschap of de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) gaat dit ook niet op, omdat de schoolvakanties bij ministeriële regeling worden vastgelegd en zowel scholen als docenten daaraan gebonden zijn. Van Meerderweert kan dan ook niet worden verwacht dat zij werkneemster in de gelegenheid stelt om tijdens de zomervakantie werkzaamheden te verrichten omdat er dan nu eenmaal geen onderwijs gegeven wordt. Dat maakt dat ook geen sprake is van strijd met goed werkgeverschap dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid. De vastgestelde vakantieperiodes zijn immers inherent aan een baan in het onderwijs. Dan resteert de beoordeling van strijdigheid met artikel 31 lid 2 van het Handvest. De kantonrechter stelt vast dat werkneemster ter onderbouwing van haar standpunt sterk leunt op het artikel van J.R. Vos uit Tijdschrift voor de Arbeidsrechtpraktijk (2020, nr. 131), welk artikel in de dagvaarding nagenoeg integraal geciteerd wordt. Vos concludeert daarin dat er vanuit de Europese regelgeving geen bezwaren zijn tegen een (eenzijdige) vaststelling van het vakantieverlof. In het midden kan daarbij blijven dat er hier geen sprake is van een eenzijdige vaststelling van vakantieverlof maar een regeling in wet en cao. Zowel de kanttekening die werkneemster (wederom Vos citerende) maakt als de verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie sluit niet aan bij de onderhavige situatie. Hier doet zich immers geen situatie voor waarin er geen sprake is geweest van werken voor de vakantie. Het standpunt dat er dus sprake zou zijn van strijd met Europeesrechtelijke bepalingen is daarmee onbegrijpelijk dan wel onvoldoende onderbouwd.