Naar boven ↑

Rechtspraak

eisers/gedaagden
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 30 juli 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:5271
Broers zijn voormalig zakenpartners in een houdstermaatschappij. Een van hen treedt uit na verkoop certificaten aan broer. Eisers vorderen in kort geding nakoming van het tussen partijen overeengekomen relatie- en concurrentiebeding. Vordering gedeeltelijk toegewezen.

Feiten

Twee broers waren allebei voor 50% aandeelhouder in een houdstermaatschappij, die op haar beurt weer talrijke dochterondernemingen onder zich heeft. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit verhuur van machines en installaties, afvalinzameling, goederenvervoer en aannemerij. Op 2 juli 2020 verkoopt de bv van broer 1 (hierna: B.V. 1) zijn certificaten aan de bv van de andere broer (hierna: B.V. 2) op grond van een zogenoemde “nadere koopovereenkomst”. De broers zijn ook in persoon partij bij deze koopovereenkomst. B.V. 2 dient op grond van deze koop het bedrag van € 17.000.000 aan B.V. 1 te betalen. De nadere koopovereenkomst geeft ook onroerendgoedtransacties tussen de partijen vorm die een onderdeel van de tegenprestatie zijn. In de Nadere koopovereenkomst is tevens een concurrentiebeding opgenomen. Op grond van een op 2 juli 2020 gesloten managementovereenkomst verleent B.V. 2 aan B.V. 1 de opdracht om van 1 januari 2020 tot 1 januari 2023 de functie van bedrijfsleider van de groep te vervullen tegen betaling van een managementvergoeding. Ook in de managementovereenkomst is een relatie- en concurrentiebeding opgenomen. Op 10 juli 2020 richt B.V. 1 een nieuwe bv op (hierna: B.V. 3), waarvan broer 1 gedurende enige tijd algemeen directeur is geweest, totdat hij deze rol heeft overgedragen aan zijn zoon. B.V. 2 en broer 2 (hierna tezamen: eisers) vorderen samengevat B.V. 1 en broer 1 (hierna tezamen: gedaagden) te verbieden een (verdere) schending van de in artikel 13 van de nadere koopovereenkomst en artikel 10 van de managementovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebedingen te bewerkstelligen, onder dreiging van een dwangsom van € 50.000 voor iedere keer dat hij een of meer bepalingen van dit concurrentiebeding overtreedt, te vermeerderen met een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag of deel daarvan dat die schending voortduurt. B.V. 1 voert hiertegen verweer en stelt dat sprake is van rechtsverwerking. 

Oordeel 

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het beroep op rechtsverwerking wordt gepasseerd. Het tijdsverloop en de enkele zakelijke contacten tussen (een) vennootschap(pen) van de groep en B.V. 3 kunnen voor gedaagden niet het gerechtvaardigde vertrouwen opleveren dat eisers het non-concurrentiebeding en het relatiebeding niet langer zouden handhaven en dat eisers geen belang meer hechten aan naleving van de bedingen.  

Ten aanzien van de aangevoerde overtreding van de overeengekomen concurrentie- en relatiebedingen staat vast dat zowel eisers als B.V. 3 zich richten op hetzelfde segment van de markt en dat hun bedrijfsactiviteiten (grotendeels) overlappen. Beide ondernemingen zijn gevestigd in dezelfde plaats en houden zich bezig met de verhuur van sloop- en bouwmateriaal. Dit maakt op zichzelf al dat sprake is van ondernemingsactiviteiten die met elkaar kúnnen concurreren, en vergelijkbaar zijn. Dat B.V. 3 zich richt op machines boven de 12 ton, dat zij de verhuuractiviteit heeft beperkt tot verhuur zonder personeel en dat zij daaraan vervoersdiensten heeft toegevoegd, doet hieraan niet af. Ook is broer 2 persoonlijk algemeen directeur van B.V. 3 geweest en heeft hij deze functie in het openbaar uitgedragen, onder andere via LinkedIn. Met zowel het (indirect) financieren als met het aannemen van de positie van algemeen directeur is het concurrentiebeding overtreden. Dat broer 2 inmiddels geen algemeen directeur meer is en sinds de herfinanciering van medio 2023 ook niet meer financieel betrokken is bij B.V. 3, kan de schendingen uit het verleden niet ongedaan maken. Hierdoor hebben eisers een spoedeisend belang dat gedaagden zich in de toekomst van dergelijke gedragingen onthouden. 

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, bestaat aanleiding om de vorderingen van eisers slechts gedeeltelijk toe te wijzen. De vorderingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter te algemeen geformuleerd. Het belang bij handhaving van het non-concurrentiebeding is door eisers enkel onderbouwd voor zover het activiteiten en bemoeienissen van gedaagden betreft in verhouding tot B.V. 3. Van een schending van dit beding door gedaagden in een ander verband hebben eisers niets gesteld en is ook niet gebleken. Daarnaast hebben gedaagden terecht aangevoerd dat hun alleen kan worden verboden concurrerende activiteiten te ondernemen die de groep zelf ten tijde van de transactiedatum verrichtte, namelijk op of omstreeks juli 2020. Nieuwe en nadien door de groep ondernomen activiteiten kunnen dus niet onder het non-concurrentiebeding vallen en kunnen gedaagden niet worden verboden. 

Aangezien gedaagden in verhouding tot B.V. 3 het non-concurrentiebeding hebben geschonden, geen gevolg is gegeven aan sommaties en broer 2 ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat hij bij het bedrijf van zijn zonen betrokken wil blijven, hebben eisers een zwaarwegend belang bij de toewijzing van het verbod versterkt met een dwangsom.