Naar boven ↑

Rechtspraak

eiseres/gedaagde
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 juli 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:4644
Bewindvoerder stelt loonvordering in en vordert tevens de aanzegvergoeding. Man en vrouw hebben affectieve relatie. De man staat onder bewind en wil als zelfstandige werken. Om te voldoen aan de eisen van zijn bewindvoerder (in loondienst werken) richt de vrouw, zoals zij onderling hebben besproken, op haar naam een bedrijf op en wordt er een tijdelijke arbeidsovereenkomst gesloten met de man. Het loon wordt niet betaald omdat er veel kosten voor het bedrijf gemaakt moeten worden.

Feiten

Man en vrouw (hierna: gedaagde) hebben sinds ongeveer drie jaar een affectieve relatie. De man staat onder bewind. De man heeft eerder gewerkt en in 2021 zag hij mogelijkheden om dit werk weer te gaan doen. Hij wilde dit werk graag als zelfstandige uit gaan voeren, maar de bewindvoerder  wilde alleen toestemming geven als hij in loondienst aan het werk zou gaan. Man en gedaagde hebben toen de mogelijkheid besproken dat gedaagde op haar naam een bedrijf zou oprichten voor dakbestratingen en dat de man bij haar in loondienst zou komen. Dat is ook gebeurd. In de arbeidsovereenkomst staat dat de man voor bepaalde tijd, namelijk van 1 februari tot en met 30 juli 2022 in dienst treedt bij het bedrijf voor 32 uur per week tegen een salaris van € 1.380 bruto per maand. Het bedrijf liep minder vlot dan vooraf gedacht. Het loon kon niet meer worden betaald. Midden juni 2022 kon de man zijn werk niet meer uitvoeren vanwege lichamelijke klachten. In een e-mail vanuit de onderneming  is bevestigd dat de arbeidsovereenkomst van de man niet wordt verlengd. De bewindvoerder vordert achterstallig loon, wettelijke verhoging en de aanzegvergoeding.

Oordeel

De kantonrechter heeft tijdens de zitting met partijen besproken dat de gekozen constructie (werken in loondienst) juridische gevolgen heeft. De kantonrechter vindt de uitleg van gedaagde geloofwaardig en de man heeft tijdens de zitting ook toegegeven dat gedaagde allemaal dingen voor hem heeft betaald. Wat allemaal is betaald, werd op de zitting niet duidelijk en dan kan de kantonrechter geen rekening houden met deze kosten. Daarom is op de zitting besproken dat gedaagde met hulp van Sociale Raadslieden in Zeist alle gegevens en documenten voor deze gemaakte uitgaven boven water probeert te krijgen. Met deze stukken zouden partijen vervolgens meer inzicht proberen te krijgen in de inkomsten en uitgaven van het bedrijf. Gedaagde kon zo laten zien dat zij geen loon meer hoeft te betalen aan de man en voor hem zou het een basis geven om een uitkering aan te vragen. Op 9 april 2024 heeft de bewindvoerder in een brief laten weten dat er geen oplossing is gekomen in de zaak. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter de basisregels moet volgen die gelden voor een werkgever naar een werknemer. Dit betekent dat gedaagde het gevorderde loon moet betalen. Dat komt neer op € 7.659 aan brutoloon verminderd met € 2.100 aan nettoloon dat wel betaald is aan de man. De vordering tot betaling van de wettelijke verhoging wordt afgewezen. De vordering tot betaling van de aanzegvergoeding wordt toegewezen.